Anabel

Ik zag haar in de pastelaria. Groot, struis, een woedend hoofd vol zwart haar, viel ze naar binnen en commandeerde: koffie! Later hoorde ik dat ze de zigeunerin genoemd werd. En dat ze de zus was van Carlos, een van de vele dorpelingen die ik van naam kende maar met wie ik nog nooit een woord gewisseld had. Maar dat was later.
Nu was ik alleen nog maar behoorlijk onder de indruk. Wie, in godsnaam, was dàt? En wat deed dié in dit slaperige, door de wereld vergeten badplaatsje. Ze sloeg haar koffie in één keer achterover, smeet een paar munten op de toonbank en maakte dat ze wegkwam.
Omdat ik vlak bij de ingang zat, met mijn onafscheidelijke dagboek in de eerste zonnestralen, passeerde ze me rakelings. Ik wilde haar zwierige rok beetpakken. In plaats daarvan stak ik mijn voet uit, en raakte lichtjes de stof aan. Voelde ze dat? Ze wierp me een korte neutrale blik toe. Weg was ze en ik stond op en hoorde hoe ik haar stem imiteerde toen ik een kop koffie bestelde.
Mijn dagboek had ik dichtgeslagen, want overal op de wereld lopen landgenoten rond. Ik maakte aanstalten om weer aan het schrijven te slaan en vroeg me af, waarom ik haar niet achterna ging en ik antwoordde met een reeks laffe smoesjes. Die loopt niet weg, straks, en waarom zou ik en bovendien had ik nou net Pedro, met wie ik zo gelukkig was.
Ik sloeg m’n dagboek open en las dat ik nog nooit een man had ontmoet die zó kon zoenen. Precies op dat moment stapte mijn geliefde over de drempel. Zonder boe of bah, of ‘hallo’ desnoods, schoof hij bij me aan tafel en stak een sigaret op. Terwijl ik koffie voor hem bestelde, bedacht ik dat hij nooit geld had. Maar wel sigaretten, waarvan hij me er nog niet één had aangeboden. Mens, hou op, dacht ik en ik zei: ‘Pedro, ken jij een grote vrouw, met zwart haar en een roodbonte rok. Tot hier, wees ik op een van mijn kuiten. Jong, zei ik ook nog. Hij schokschouderde wat en ik wist niet of het nee was, of dat hij geen zin had in een gesprek, of in dít gesprek misschien? Of begreep hij gewoon mijn Engels niet? Als hij zó deed, kon ik hoog springen of laag, en vele andere dingen, zoveel wist ik al, ik zou geen steek verder komen. Ik betaalde de consumpties en hield het voor gezien.
Nog geen tien meter was ik gevorderd of daar was ze weer, mijn vlam van het laatste uur en ik opende mijn mond om haar te groeten. Ze zag me niet en ik keek haar na. Ze schoot de pastelaria in en plofte neer bij Pedro. Op míjn stoel. Meteen ontstond een geanimeerd gesprek, dat al gauw een discussie werd, nee, een gevecht. Op de automatische piloot was ik achter haar aangegaan, maar ik strandde in de deuropening: als ik al van plan geweest was me bij hun aan te sluiten, dan moest ik wel tot inkeer komen. Hun radde Portugees denderde door het etablissement, al probeerden zij te fluisteren, dat zag ik wel. ‘Nee’ schreeuwde Pedro ‘nee’. Hij zwaaide met z’n armen, hief z’n handen ten hemel en draaide zijn hoofd van haar af. Ik moest maken dat ik van m’n drempel afkwam, anders had ze me gevierendeeld, toen ze naar buiten stormde. Maar ze had tranen in haar ogen.
Ik keek haar na, ik keek naar Pedro. ‘Anabel’ snauwde hij in mijn richting, alvorens hij verdween richting toilet. Ik moest gaan, dat wist ik. Mijn schouders begonnen al strak te trekken en mijn benen werden week. Naar zee jij, siste ik mezelf toe.
Om een uur of vier ben ik naar Pedro’s huisje gegaan. Hij lag languit op zijn bed, pal achter de voordeur, en luisterde naar de radio via zijn oormicrofoontjes. Ga zitten, gebaarde hij. En even later zei hij: er is thee. Hij wees met één vinger naar het keukentje achterin en met zijn andere hand gooide hij me een pak biskwietjes toe. Hij zelf dronk nooit thee en daarom gaf ik hem voorzichtig een zoen. Bij het luisteren naar zijn krakerige radio werd hij nou eenmaal niet graag gestoord.
Ik zette net het kopje aan mijn lippen voor de eerste slok, toen er op de deur werd gebonsd. Op Pedro’s ‘binnen’ maakte een nieuwe Anabel haar entree. Weliswaar in één beweging, maar toch kalm, ging ze bij Pedro op bed zitten. Het gesis en geknauw van die onbegrijpelijke taal begon weer. Zij smeekte, hij weigerde, dat zag een kind. In een poging niet op te gaan in de mist van een miskend bestaan, duwde ik Anabel een kop thee onder de neus. Even was ze uit haar concentratie en ik zag hoe ze twee bruine knuisten er helemaal omheen vouwde. En toen keek ze me aan en zei: ‘lekker’. In haar zwarte ogen stond verdriet en nog iets. Was dat paniek? Plotseling wilde ik dat Pedro haar gaf waar zij zo om smeekte, al was ik er op dat moment van overtuigd dat het liefde was. Mijn liefde eigenlijk. Dat wil zeggen Pedro’s liefde en die was van mij.

Terwijl ik mijn laatste slok thee nam, was het gesprek alweer in volle gang en voor ik de deur zachtjes achter me sloot, zag ik Anabel nippen aan haar kopje. Ik dacht aan de manier waarop ze haar koffie gedronken had, diezelfde ochtend. ‘Er is nog meer’ zei ik, maar niemand die mij hoorde.
Opnieuw valt er een gat in die dag. Ben ik weer naar zee gegaan, of naar mijn eigen plek, een tent op de plaatselijke camping? Ik heb die dag niet meer in mijn dagboek geschreven. Dat deed ik pas weer diep in de nacht bij het licht van mijn zaklantaarn.  Er staat daar dat de oude Chica, Pedro’s buurvrouw me aanklampte met een stroom van woorden, waar ik er niet één van verstond. Dat Pedro me eerst niet wilde vertellen wat ze zei, maar me uiteindelijk toesnauwde, dat ze van de rotsen was gevallen, Anabel, en dat ze dood was. ‘Zelf gesprongen’ zei hij. ‘Hier vlakbij, iedereen kon het zien’. Eerst wist ik niets te zeggen. En toen heb ik gevraagd: waarom. En, wat ze eigenlijk gewild had, van hem.
Toen kroop hij weer heel ver van me weg, maar deze keer ging ik mee. Dat wil zeggen, ik ben ook op zijn bed gaan liggen, vlak naast hem en ik heb hem vastgehouden. Hij was zo stijf als een plank. Pas na een hele lange tijd fluisterde hij, maar ik verstond hem toch, dat ze drugs van hem wilde. Drugs. En hij zei dat ie ze haar niet wilde geven, omdat ze die dag recht uit de kliniek kwam. En toen zei hij dat ik weg moest gaan. Ik heb lang zitten schrijven, daar in mijn tentje. Misschien was de batterij van mijn zaklantaarn bijna leeg, want de laatste regels zijn nauwelijks leesbaar.
‘Pedro is een junk’ dat staat er, en nog iets over de dood en dat je die niet voelen kunt. Maar dat ik mijn bestaan ineen voelde schrompelen tot het miserabele hoopje mens, dat ik ben.

Het gedenkteken

Het dorp heeft slechts één asfaltweg. In sierlijke bochten slingert hij naar het strand beneden. Een witgekalkt muurtje beneemt de automobilist het uitzicht op zee. Als vangrail is het waardeloos, maar het zet een fraaie streep achter de witte huizen.
Oude vissers leunen erop met hun ellebogen en monsteren het getij en de kracht van de branding. Soms gaat een toerist erop zitten en stelt zijn camera in. Een kind kijkt angstig in de diepte.
In de scherpste bocht, iets buiten het dorpscentrum, zit een meterslange grauwe plek. Daar hebben ze de kalk niet meer dekkend kunnen krijgen. Na al die jaren kan ik er nog steeds niet goed naar kijken.
Het was druk op de boulevard. We hadden met ons allen gedanst in de disco en konden nog geen afscheid nemen van de weldadige koelte van de zomernacht. De café’s waren al lang gesloten. Met hun opgestapelde terrasstoelen en gesloten luiken zagen ze er vijandig uit. We dronken bier uit blik en deelden de laatste joints. Kakelverse paartjes zonderden zich af buiten de lichtcirkels van de straatlantaarns. Hun witte shirts verraadden hen. We verbaasden ons over de overvloed aan sterren en noemden de sterrenbeelden bij naam.
Toen verscheen de Mercedes op het toneel. Het licht van de koplampen verblindde ons. De portieren vlogen open en muziek denderde over de straat. We begonnen meteen te dansen.
Een meisje riep: ‘Wow, wat een schitterende auto’ en ze glipte naar binnen.
Het gevaarte draaide driemaal in het rond. De glijdende bundels licht deden nog even denken aan de disco. Toen verdween hij in de richting waarvan hij gekomen was.
Even was de duisternis volledig.
Mijn zusje, die enige tijd bij me logeerde, was een en al bewondering. Luidkeels liet ze dat blijken. ‘Wat een mooie auto. Zo één zou ik ook wel willen. Jij niet Carlos?’ Zíj zou dat nooit durven, er zo maar in springen… Stel je voor.
Binnen een half uur waren ze terug.
Weer stopte het gevaarte en werd het portier open geworpen. Terwijl de motor bleef loeien, viel de chauffeur half naar buiten en stortte brallerig een woordenstroom over ons uit. Wilden we nog wat muziek? Dat kon! De stereo schetterde ons om de oren en zachtjes kwam de auto in beweging. Hij reed prachtig, dat moet ik zeggen. Iemand kankerde: ‘die verdomde Duitsers, patsers zijn het’. Ik draaide verveeld mijn hoofd opzij. Wat kon hem dat schelen?
Toen zag ik hem wegrijden, richting strand. Hij verdween in de scherpe bocht naar omlaag, de muziek met zich meevoerend. We bleven achter in het laatste stille duister van de nacht. Een korte scherpe knal weerklonk. Of er met een heel klein geweer een vogeltje werd neergehaald. En daarna een doffe zucht.
Doodse stilte. Twee tellen, drie, ik weet het niet. We kwamen allemaal tegelijk in beweging. Struikelend over elkaar renden we naar beneden. ‘Lopen’, riep mijn zusje ‘loop dan toch’. Het eerste wat we zagen toen we de bocht om renden, was een kolossaal gat in het witte muurtje. En beneden op het strand lag de Mercedes doodstil in het zand, ondersteboven en een heel stuk de grond in geboord. Zelfs de wielen bewogen niet meer.
Ondanks de angst stormden we naderbij. Zeker met zijn tienen rukten we aan de sponningen van de ramen, aan de deuren.
‘Kantel hem om’.
‘We moeten ze uitgraven’.
Bevelen werden geschreeuwd, door en over elkaar heen. We deden wat we konden, maar er was geen beweging in te krijgen. Een Mercedes, wat zijn die krengen sterk.
Plotseling was er vuur. Gillend stoven we weg, meters de berg op. Ik hoorde mezelf gierend huilen. Van een afstand zagen we het hele zaakje in vlammen opgaan. Ik zei, of dacht ik het alleen maar: ‘we hadden ze eruit moeten halen. Ze moeten al dood zijn geweest, maar ook nog verbranden…’
Iemand schreeuwde: ‘Hij heeft haar vermoord, de klootzak heeft haar vermoord’. Mijn zusje stond naast me. Rillend leunde ze tegen me aan.
Uren later werden ze weggehaald. Het hele dorp stond op de boulevard. De ambulance kon onmogelijk het strand op. Witte mannen liepen behoedzaam door het rulle zand. Toen de takelwagen met zijn rammelende vrachtje eindelijk om de hoek verdween, stond de zon al hoog aan de hemel.
Dagenlang gonsde het van de geruchten. De eigenaar van de Mercedes had van niets geweten. Terwijl hij lag te slapen had zijn vriend de autosleutels weggepikt.

Het meisje was pas zestien. Ze kwam uit de hoofdstad en was voor het eerst zonder ouders op vakantie.
Zoals de meeste dorpsbewoners wandel ik graag langs de zee.
Hier en daar rust ik uit met mijn ellebogen op het witte muurtje en geniet van de zee die geen dag hetzelfde is. Bij de grauwe plek versnel ik mijn pas. Een likje witte verf, van het dekkende soort, zou dat niet beter zijn?

Gansa

 

Koekoe’ roept Rosa, mijn buurvrouw en haar hoofd met het eeuwige petje verschijnt om de hoek van de deur van mijn eenkamerhuisje. ‘Ben je al wakker?’
‘O nee, asjeblief’ mompel ik in mijn eigen taal. Ik moet er niet uitnodigend uitzien met mijn sjagrijnige kop, maar dat mag de pret niet drukken. ‘Kom, Francisco gaat een gans slachten’. O ja, vandaag wordt er gegeten bij de buren en op het menu staat gans, scharrelgans, dat spreekt vanzelf.
Het is acht uur, zie ik op mijn wekkertje. De korte kogelronde verschijning in de deuropening wordt omkranst door een witte nevel. Ochtendmist.
‘Ik sliep nog’ zeg ik, in het Portugees nu. Ze gaat zitten op mijn enige stoel.
‘Rosa, laat me nog even alleen, wil je?’
Giechelend van verlegenheid verlaat ze het pand.
Tegen beter weten in leg ik mijn hoofd op het kussen en trek de dekens om mijn schouders.
De voorbereidingen voor het middagmaal zijn in volle gang. De katrol van de waterput moet nodig wat olie. En voorts lijkt het eerder te gaan om het project van een bouwvakker dan om een kookpartij. Hamer, zaag en tenslotte een gierend geschuur. Het gereedschap voor de slacht wordt kennelijk ter plekke vervaardigd.
Ik drink thee en verricht mijn overige ochtendrituelen. Nog even moet ik niet denken aan ‘gans met rijst’. Met een beetje geluk eten we ‘pas’ om twee uur..
Als ik eindelijk het inmiddels verblindende ochtendlicht instap, staat Francisco in alle rust te plukken aan iets wat al heel veel lijkt op een diepvrieskip.
‘Ik heb nog nooit gans gegeten’ zeg ik, terwijl ik me afvraag of dat waar is.
‘Dan zul je straks eens wat beleven! Trouwens dit is geen gans.’ Verbaasd kijk ik hem aan.  ‘Nee, dit is gansa!’ zegt hij en zijn pretoogjes stralen in zijn oude mannensnoet.
Als ik een kwartier later terugkom van de waterput, levert hij het bewijs. ‘Ze zat vol eieren’ zegt hij en toont me een schaal met naast twee perfecte levers (-ganzelever, maken ze daar in Frankrijk niet zo’n ophef van?-) een paar glanzend rode bollen en een heleboel ‘knikkertjes’.
‘Grote al’ zeg ik bewonderend en begin meteen te twijfelen. Die grote, dat zullen toch niet de eierstokken zijn? Francisco doet opnieuw een greep in het inwendige. ‘Dit is het hart.’ Heeft hij nu even medelijden met het leven waaraan hij zojuist een einde heeft gemaakt? Trekt er niet een schaduw over dat vastberaden gezicht?
Buurvrouw is inmiddels naar buiten gekomen. De vleesgeworden misericordia. Waar is dat schalkse gezicht, die goedlachse vrouw gebleven?
‘Oh’ klaagt ze ‘mijn ogen, ik kan dit soort dingen niet meer’ en trefzeker pakt ze het beest bij zijn poten op het moment dat Francisco zijn mes trekt.
Niets herinnert aan het vrolijke vrouwmens met wie ik regelmatig in een deuk lig. Ik kan haar wel slaan! Maar ik neem een voorbeeld aan Francisco die stelselmatig haar klachten negeert.
‘Nog even en ze kan de pan in.’ Hij maakt een hoofdbeweging in de richting van het houtvuur waarop al een pan water staat te koken.
Als ik wegslenter met mijn emmer voel ik me een verraadster.
Natuurlijk begrijp ik haar wel, mijn buurvrouw.
Herhaaldelijk verzekert ze me dat ze geluk heeft gehad. Háár Francisco heeft altijd hard gewerkt, ze heeft nooit honger hoeven lijden. En hij heeft haar nog nooit geslagen.
Maar, zo denk ik, wel mompelt hij je voortdurend in alle beminnelijkheid zijn bevelen toe. ‘Een mes, Rosa. Een schaal. Heb je al water gehaald. Geef de buurvrouw (en dat ben ik) eens een half dozijn eieren, wat wortelen, uien.
Van nee zeggen heeft ze nooit gehoord.
Dat hij al zijn vrije uren doorbrengt met zijn vrienden in de kroegen van het dorp vindt ze doodnormaal. Wanneer hij diep in de nacht vals zingend thuiskomt, durft zij eindelijk te gaan slapen.
Ik pieker nog steeds wanneer ik terugkom van de gemeenschappelijke waslijn. Onder het keukenraam van de buren ben ik toe aan een voorlopige conclusie.
Lijdelijk verzet, het moet haar enige uitlaatklep zijn.
‘Koekoe’ klinkt het vrolijk uit het keukenraam. ‘Echt wasweertje, hè?’ zegt mijn buurvrouw, als ik naderbij kom.
‘Francisco, de schat, hij is naar het dorp om brood te halen. En olijfolie, die was bijna op.
Schaterend probeert ze antwoord te geven op mijn vraag wat uitspoelen is in het Portugees. Zoals altijd geniet ze van mijn onwetendheid.
‘Hoor, de gans staat op het vuur, in de snelkookpan. ‘Dan is hij eerder gaar’ legt ze geduldig uit.
Het gesis uit de pan heeft veel weg van een protesterende gans…
Wanneer ik enige uren later met beide schatten en hun zwager aan de keukentafel zit is zij weer een en al ellende. Ze zucht en steunt en strompelt regelmatig naar de waterbak en bet haar ogen.
‘Mijn ogen helpen me niet’ zegt ze en niemand reageert.
Francisco stapelt een enorme portie van het smakelijke maal op haar bord en zet het onder haar neus. Ze verorbert het al zuchtend en steunend tot de laatste hap. Waarop ze haar bord bijhoudt voor meer.
Met verwondering kijk ik naar de man die haar zo ‘terroriseert’. Met zorg vist hij de lekkerste hapjes uit de pan en deponeert ze op de borden van zijn gasten. Hij trekt een nieuwe fles wijn open en staat erop zelf het restje van drie dagen terug op te drinken.
Zijn gezicht straalt van goedmoedige pret als hij vertelt. Over andere eetfestijnen. Over vorige ganzen. ‘Deze gans is puur natuur!’ Wist ik dat de beste restaurants hier niet aan kunnen tippen?
Zwager valt hem uitbundig bij. ‘Praat een beetje langzaam’ zegt mijn buurman, ‘dan verstaat zij je beter’.
Rosa zwijgt.
Met een zielig gezicht kluift ze het laatste botje af.
‘Rosa, haal de meloen’ klinkt het en zij wordt weer zichtbaar. Strompelend begeeft ze zich naar het achterhuis.
Tenslotte verdwijnt de heer des huizes met zijn broer richting dorp. Voor koffie met een afzakkerdje.
Ik help mijn buurvrouw, weer helemaal de oude, met de afwas.
Haar mond staat geen ogenblik stil.

A hell of a job

Odefruta. Het pijltje op het verroeste bordje wijst omhoog. Werk van de zoute zeewind? Of cynisch grapje van een gedupeerde? Odefruta, verwezen naar het rijk der fabelen.
Het moet een magische klank gehad hebben.
De mensen hier zijn arm. De landbouwmethodes primitief.
Het gebied is beschermd tegen toeristische hoogbouw en industrie. Ruige grillige rotsen gaan over in schrale door de zon gekasteide landerijen. Het is hier onwerkelijk mooi. De vele vogelsoorten, waaronder de indrukwekkend rondzeilende ooievaars, kunnen dit bevestigen. Zij hebben zelfs afgezien van de wintertrek naar Afrika.
Vijftig kilometer naar het zuiden ligt de toeristische Algarve, als afschrikwekkend voorbeeld. Maar de jeugd van deze streken trekt er heen, op zoek naar werk.
Odefruta, samentrekking van Odemira en fruta. In Portugal zie je dat veel: Farauto, Portomoveis, Lisbanco.
Een jaar of 10 geleden is er met kapitaal van de Europese Unie een even groot als wanstaltig kassencomplex gebouwd. Een wirwar van plastic kassen, ruw houten werkketen, kilometerslange, zanderige hobbelpaden.
Een electronisch centrum, glanzende vrachtwagens, chemische bestrijdingsmiddelen.
Paprika, tomaten, komkommers, bestemd voor de export. A hell of a job, in dit klimaat.
Initiatiefnemer was, naar verluid, een Franse miljonair. Hij moet zijn kans schoon gezien hebben in de bureaucratische chaos van ‘Europa’, dat geld steekt in zijn achtergebleven gebieden. Ingenieurs en andere stafleden kwamen uit het buitenland, aangelokt door klinkende contracten met forse salarissen. De kleine boeren, erfgenamen van eeuwenoude geslachten, moeten afgunstig gekeken hebben naar het geavanceerde irrigatiesysteem, dat werd opgezet. Zij, en de mannen uit de omringende dorpen verdienden wat bij aan het graven van de kanalen en het bouwen van de ontelbare kassen. De vrouwen verdrongen zich op lijsten om zogauw de oogst rijp was de vruchten te komen plukken. Hoe lang hebben ze haar werk kunnen doen? En hoe vaak zijn zij trots thuis gekomen met hun maandsalaris van 45 contos, ongeveer 500 nederlandse guldens?
Van meet af aan haperde er van alles. Het plastic van de kassen bleek niet bestand tegen de forse zeewind. In allerijl werd er een kilometerslange muurvan-gaas gebouwd.
Herhaaldelijk verruilden de kasarbeidsters met gemengde gevoelens de hete kassen voor een stukje schaduw in de dunne dennenbosjes. Wachtend op zaad, op kunstmest, wachtend op kistjes, op vrachtwagens, op gas, op stroom, wachtend op de computertechneut..
Dorre planten, rotte tomaten, verloren ecu’s…
De ingenieurs vertrokken het eerst. Hier viel niet te werken. Waar bleef trouwens hun salaris?
En tenslotte dan, werd het gerucht bevestigd: de miljonair was zoek. De vrouwen hadden toen al drie maanden geen escudo gezien.
Zij keerden terug naar hun dorpen. Ontgoocheld. Wat niet al te rot was, of al bijna rijp, namen ze mee.
Middenin het beschermde natuurgebied aan de Costa Vincentina ligt een stukje hel op aarde. Gescheurd plastic, overwoekerd door uitgeschoten kasplanten en tropisch aandoend onkruid, rafels van gaas in alle tinten, half gesloopte computers en vrachtwagens, brokstukken van kisten en keten. Het hout is verdwenen, omgetoverd tot hutten, kippenhokken, hekken tot in de wijde omtrek. Ook hele lappen gaas hebben een nieuwe bestemming gevonden rondom kleine groententuinen en jonge boompjes.
‘Odefruta’ klinkt nu als een vloek. Vooralsnog onzichtbaar is het gif in de grond.
De jonge plaatselijke milieubeweging trekt sinds een jaar aan de bel.
A hell of a job.

Julia

Opeens was ze daar.
Eerst wisselden we alleen maar blikken, maar al gauw kibbelden we er over wie haar het eerst gezien had. Bruno hield weer het langste vol. Hij was haar al verschillende keren tegengekomen, beweerde hij. ‘Op het terras van Fresco en in de minimercado.’ Nee, gesproken had hij haar niet. Er was een kleine kans dat hij niet loog. Er verschenen immers, ondanks het winterseizoen, regelmatig buitenlandse toeristen in ons dorp. Zij zetten hun campers voor een nachtje vlak aan zee, en verdwenen weer. Het waren niet meer dan schimmen in te lichte zomerkleren.
Maar dit was een blijverdje.
Zij was duidelijk geen Portugese, zoals ze daar zat in de volle zon met opgerolde mouwen en halfblote benen. Haar slippers had ze uitgeschopt. Hoe lang zat ze daar nou al? Ze dronk de ene kop koffie na de andere en las een boek. Zo nu en dan keek ze over haar zonnebril heen naar de zee.
Het was weer Bruno die het initiatief nam. Hij had allang bewezen dat hij van ons allemaal de brutaalste was. Had hij ook niet onze dokter ingepikt, toen zij nog maar drie maanden weduwe was?
Met grote passen stapte hij het terras op en peuterde een sigaret uit zijn pakje. Zij keek naar de plotselinge schaduw. Haar gezicht stond afwezig.
‘Rookt u?’ Ik was vast niet de enige die schrok toen ze met een glimlach accepteerde. Of ze erop had zitten wachten, zo snel had ze hem al opgestoken. Bruno stond met zijn aansteker in de hand naast haar, maar zij was al weer verdiept in haar boek.
‘Do you speak english’, probeerde hij nog. Ze reageerde niet. Met opgeheven hoofd verliet hij het terras. Maar hij voegde zich niet meteen weer bij ons. Hij stak de straat over en ging naar de zee staan staren. Ik zou precies hetzelfde gedaan hebben…
De volgende was Joaquim. Hij was een beetje over zijn beste jaren heen, maar we noemden hem nog steeds ‘koning der buitenlandsen’. Wat hij aan schoonheid had ingeboet wist hij vaak nog te compenseren met zijn geld. Hij timede perfect. Het meisje, -of moet ik vrouw zeggen, ze zal een jaar of dertig geweest zijn- trad binnen met haar portemonnaie in de aanslag. Joaquim betaalde haar rekening. Hoewel hij het nonchalant deed, zag het er toch demonstratief uit. Ze lachte, geamuseerd dacht ik even, en stapte naar buiten. Ze koos daarbij een route, rakelings achter ons langs. We moesten zelfs een stukje inschikken. Joaquim besloot zijn actie te zien als een investering op lange termijn. ‘Tja’ zo zei hij ‘ze zal me heus wel gezien hebben’.
Ze werd een geregelde gast van het café, liever gezegd van het terras. Aan de bar wisselden we onze wapenfeiten uit. Luís was haar tegengekomen op het strand, waar ze zijn ‘enorme visvangst’ bewonderd had. ‘Heb je er niet eentje voor haar gegrild’, vroeg ik nog. ‘Wijntje erbij..’ Maar Pedro was al aan het woord. Elke morgen, zo wist hij te melden, was zij zijn eerste klant. ‘Een brood dat die vrouw verslindt’, zei hij trots. ‘Ze moet mijn brood wel erg lekker vinden.’ ‘Met kaas’, riep Vitor, ‘bij mij koopt ze kilo’s kaas.’ ‘Karbonade’, zei Chico, ze houdt van karbonade’.
En wie biedt er meer, dacht ik. Antonio dus. Hij ging zover dat hij beweerde haar een lift te hebben gegeven, achterop zijn brommer. ‘Ze legde haar handjes hier zo’ en hij streelde zijn enorme taille. Ja, lachen deden we ook.
‘Praat ze wel eens met iemand?’ vroeg Joaquim op een avond. Zelfs hij was geen stap verder gekomen. ‘Volgens mij spreekt ze geen woord Portugees en Engels evenmin.’
‘Met Maria’, zei Lucilia.
Lucilia is de vrouw van de kastelein en zoals gewoonlijk had ze zich buiten de conversatie gehouden. ‘Ik heb haar zien praten met Maria.’
Maria? Even was het doodstil. En toen praatten we allemaal tegelijk. Och ja, Maria, waar hing die tegenwoordig eigenlijk uit? Was die niet terug naar Helder, haar wettige echtgenoot? Het leek eeuwen geleden dat we ‘vochten’ om Maria. Ze was zo’n beetje onze plaatselijke hoer, sinds ze die arme Helder verlaten had.
Ikzelf had nooit iets gehad met Maria en van de anderen wist ik het ook niet zeker. Er werd een hoop gekletst, dat wel. Maria was een vrolijke meid die graag een pilsje dronk in het café. Ze grapte zo’n beetje met ons mee en amuseerde zich. ‘Bruno’ kon ze fijntjes zeggen ‘handjes thuis, denk aan Christina’. En ze sloeg Joaquim op zijn schouder. ‘Zo, oudje, nog altijd niet gekalmeerd?’. Ik mocht Maria wel. Maar waar was ze tegenwoordig?
‘Ik was in S. gisteren en daar zag ik haar. Ja zeker, Maria en die buitenlandse. Ze zaten druk te praten in de pastelaria.’
Chico stelde de meest zinnige vraag.
‘Welke taal spraken ze, Engels?’ Maar dat wist Lucilia niet, zo dicht was ze niet in de buurt geweest. ‘Maar het was een geanimeerd gesprek’ zei ze en ze stond gewoon te genieten van onze ontreddering.
De volgende dag was de stemming veranderd. Weer stond de zon aan een onbewolkte hemel. De buitenlandse werd overladen met aandacht. Toen de zoveelste ‘toevallig even op het terras moest zijn’ en haar aansprak, liet ze voor het eerst haar glimlach achterwege. Ze keek Bruno, -die man heeft altijd geluk, zei ik het niet- met felle ogen aan en zwaaide met haar boek, waar ze eerst zorgvuldig haar wijsvinger in had gestoken. Even leek het of ze Bruno  een klap wilde geven, maar ze keek hem alweer vriendelijk aan voor ze rustig doorging met lezen.
‘De teef’, zei Bruno, toen hij weer bij ons stond en ik geloof dat we het allemaal met hem eens waren.
Toen stond ze op. Ze smeet haar boek op het tafeltje en holde de straat op. Een donkerblauwe Volvo was de hoek om gekomen en stopte aan de overkant. Het portier ging open en een bekende verschijning sprong naar buiten.
‘Julia’ riep Maria en ze opende haar armen om degene wiens naam wij nu eindelijk kenden, warm te onthalen.
‘Wacht’ zei Julia ‘mijn boek’. En het klonk zo Portugees, als het maar zijn kan..
Ze griste haar boek van de tafel en met een gezicht waar de gelukzaligheid vanaf droop, liep ze tussen ons door naar de bar en legde daar een bankbiljet neer. Zonder op wisselgeld te wachten stoof ze weg.
Maria had haar plaats achter het stuur alweer ingenomen. Voor ze wegreed wrong ze zich in een onmogelijke houding en ze gaf Julia een lange kus.
En die bleek daar helemaal niet vies van te zijn.
Minutenlang was het stil en we durfden elkaar nauwelijks aan te kijken. Pas toen de Volvo met een sierlijke draai verdween in de richting waaruit hij gekomen was, deed Joaquim zijn mond open.
‘Tja’ zei hij en de goeierd bestelde voor ons allemaal een borrel.

Het kacheltje

De winter kwam vroeg dat jaar. Er waaide een stevige wind uit het noorden, die rukte aan ramen en deuren. De eerste dakpannen vielen te pletter in de stille straatjes van het dorp. Televisiebeelden toonden hoe in het hooggebergte hele steden door sneeuwval waren ontwricht.
Daar komt die koude wind vandaan’ werd mij verteld in de plaatselijke minimarkt, nadat de gebruikelijke uitwisseling van ‘koud hè, ja koud’ had plaatsgevonden. Het gezicht van de man achter de kassa had de kleur van de grauwe dag en zijn aanzienlijke neus stak er rood bij af. Hij zat omstandig te bibberen.
Ik bood aan de deur te sluiten, maar hij keek me aan of ik een oneerbaar voorstel deed. De klanten kwamen alleen als de deur wijd openstond, dat moest ik toch begrijpen. Nee nee, een bordje duwen, trekken of open zou niet helpen. ‘Geen hond die het leest’. En trouwens, wist ik wel dat veel mensen niet kunnen lezen, iedereen boven de vijftig, schatte hij. Ja, hijzelf was daar een uitzondering op. Hij schudde zijn vingers los en pakte mijn bankbiljet aan.
‘In Nederland’ -ik kon het niet laten- ‘in Nederland hebben we verwarming in de winkels, en ook in de huizen’.
‘In alle huizen?’ vroeg hij, maar wachtte niet op antwoord. ‘In  die landen is het koud, ja. Sneeuwt het daarginds ook?’ Trouwhartig keek hij me nu aan. Deze man was bereid tot een lange conversatie. ‘Nee, nog niet’ zei ik en onderdrukte een zucht. Ik liet mijn boodschappen in de plastic tas glijden, die hij met een routinegebaar naar me toe schoof en verliet bijna haastig het pand. Ik ging een kacheltje kopen, ze konden mij nog meer vertellen.
Het was mijn tweede winter in Portugal. Na de eerste had ik gezworen nooit meer te overwinteren in dat ‘zonnige zuiden’. In geen jaren had ik zo’n kou geleden. Vanaf november tot diep in maart was ik in de weer geweest met hout sprokkelen, zagen en hakken voor de ‘open haard’, een afgebladderde stookplaats, waarvan de schoorsteen maar niet trekken wilde. Na zo’n hakpartij was ik niet alleen bezweet, maar ook doorweekt van de striemende regen die soms dagenlang aanhield. En ik had het zo heet dat ik geen vuur meer kon zien. Een landgenoot vond ter plekke een nieuw spreekwoord uit: Wie hakt, hoeft niet te stoken. Maar dat gold natuurlijk maar een half uurtje. Daarna zat ik vooral te houden met een berg natte kleren in een van vocht doortrokken huis en ik stookte veel te kwistig het hout van drie dagen terug, dat eindelijk droog genoeg geworden was om vlam te vatten. Het draaide er altijd weer op uit dat ik, gehuld in plastic, de regen instapte voor een fikse wandeling, om mijn botten te verwarmen. Onderhemden, dikke wollen truien, drie paar sokken over elkaar, vergeten spoken uit een ver verleden..
Evenals alle dorpsbewoners van de vrouwelijke kunne, stortte ik me bij de eerste zonnestralen op de opgehoopte was en sjouwde zo’n beetje de hele inboedel naar buiten. Verrukt sliep ik vervolgens een nachtje in een droog bed.
Deze tweede winter ging ik het anders aanpakken. Ik had vanaf oktober een  huisje gehuurd dat voorzien was van elektriciteit en stromend water. Tot mijn genoegen ontbrak zo’n houtvretende, rookverspreidende en doodvermoeiende stookplaats.
Ik ging een kachel kopen, een elektrisch kacheltje. Ze waren te koop, zoals ik al hoopte, in het naburige dorp. Daar was er zelfs een in functie in de plaatselijke kranten-en tijdschriftenzaak. De warme luchtstroom die eruit kwam, aaide over de rug van de verkoopster, die er als het even kon pal vóór zat op een houten bankje. Uiteraard stond de deur wagenwijd open.
Opgetogen kwam ik thuis met mijn ventilatorkacheltje. Al dagenlang brachten donkere wolken uit het westen als het ware de zee tot ons. Het regende, het regende en grauwe vochtvlekken sierden al de witgekalkte wanden van mijn onderkomen. Ik wreef in mijn handen: het kacheltje zou ze in een mum van tijd als sneeuw voor de zon doen verdwijnen. Ik hing ogenblikkelijk een waslijn op in de keuken/kamer en zag me al urenlang schrijven aan boeiende verhalen, terwijl ‘de regen tikte op mijn zolderraam.’ Ik stopte de stekker in het stopcontact. Wat een eenvoudige handeling! Ik dacht aan mijn strooptochten in de regen, het gesleep met nat hout, zagen, hakken…
Ploef. Ik zat in het donker. Door het natte venster lachten vele vervormde lichtjes me toe. De televisie van de benedenburen bromde ongebroken. Dit was mijn particuliere stroomstoring, geen twijfel mogelijk. Mijn kacheltje…
Het huis waarin ik woonde was van een vriendelijke dorpsbewoner die ik al een poosje kende. Er ging geen ontmoeting voorbij zonder dat we elkaar met joviale gebaren begroetten, en vaak zat er wel een praatje in. Zijn koeien hadden gekalfd of ze gingen binnenkort kalven of ze waren juist gedekt. En mijn dochters, ja het ging prima met ze, nee ze waren nog altijd niet getrouwd en ja, misschien kwamen ze binnenkort hun moeder opzoeken.
Toen hij hoorde dat ik een huis wilde huren, had hij er een in de aanbieding. De prijs die hij vroeg was onverwacht hoog en het was nog een hele klus geweest tot overeenstemming te komen. Sindsdien was de jovialiteit nagenoeg uit zijn gedrag verdwenen.
Nu ging ik hem vertellen dat de elektriciteit was uitgevallen. ‘Ik zit in het donker’ zei ik dwaas, om de urgentie van het geval te benadrukken. Zwijgend liep hij met me mee. In het halletje draaide hij aan de schakelaar. Die man stond tijd te winnen. Maar toen keek hij me aan vanonder zijn grove, zongebleekte wenkbrauwen en het viel mee dat hij de zaklamp, die ik hem in de hand geduwd had, niet op mijn gezicht richtte.
‘Heb je soms een kachel?’ vroeg hij. Hoewel ik al wist dat ik me in de verdediging bevond, verbaasden me mijn eigen woorden: ‘Nee, hoezo?’ Achteloos vestigde ik vervolgens zijn aandacht op een lampje, waarvan ik de stekker ‘net in een ander stopcontact had gestoken’. Hij dacht wel dat het daaraan kon liggen en zou het even nakijken. ‘Dat rotlampje’ zei hij, en eventjes had ik medelijden met hem.
‘Zeg, heb je trouwens geen kacheltje voor me?’ Wat kon mij het schelen, ik was nu toch bezig. ‘Het kan wel eens koud worden, hè, en ik moet veel stilzitten.’ ‘Dat moet je niet doen’ zei hij ‘stilzitten is slecht voor een mens. Kijk eens wat een terras je hebt, als je gaat staan, zie je de zee. Zodra je het koud krijgt, loop je gewoon wat op en neer’. ‘Hiervóór op het terras’ snauwde hij, toen ik waarschijnlijk niet snel genoeg reageerde.
‘Een kàcheltje’ mompelde hij er meteen achteraan, al friemelend aan het defecte lampje.
Hij wist zoveel minachting te leggen in zijn woorden dat ik voorlopig mijn mond niet meer open deed.

De fooi

Siebe is minder jong dan hij er uit ziet. Dat komt door zijn tengere gestalte die door de seizoenen heen gekleed is in een spijkerbroek met iets onduidelijks erboven. Op zijn rug hangt onvermijdelijk zijn oude legerrugzak.
Vandaag draagt hij bovendien een regenpak van grijs plastic. Ondanks de capuchon zie je hoe zijn smalle hoofd hoog op een dunne nek balanceert. Druipend staat hij in de papelaria van St Lucia, het bergdorp waar hij de laatste weken heeft doorgebracht. Hij wil de prijs weten van een enkeltje Arganil, een rustig provinciestadje in de heuvels ten oosten van Coimbra.
Vroeger dan normaal gaat het sneeuwen en dat betekent de komst van de wintersporters. Siebe haat wintersporters en verder alle mensen die zich bevinden in het gezelschap van een of meerdere medemensen.
Hij houdt ervan op de landerijen van andere buitenlanders hand- en spandiensten te verrichten. Dat levert hem meestal een bed op, en maaltijden.
Op het terrein van zijn vriend A heeft hij de vorige zomer een mimosabosje half-gerooid achtergelaten. Die klus kan hij nu mooi af gaan maken.
Een kleine man met een bleke gelaatskleur bladert in een stapel A-viertjes. Ergens moet het toch staan. Arganil, zei u? Waar ligt dat ongeveer?
Siebe verplaatst zijn gewicht van de ene soppende schoen naar de andere. Verdomme, nieuwe schoenen draagt hij. Waterdicht, de winkelier heeft er een eed op gezworen. 150 gulden, hij slaat met een venijnig tikje de ene schoen tegen de andere. Nee 165, rekent hij uit, de wisselkoers wordt steeds ongunstiger.
Ach laat ook maar, geef me maar een enkeltje Vale de Ouro. Daar kan ik toch overstappen op de snelbus?
In de late namiddag nuttigt Siebe een eenvoudige maaltijd in het hartje van Arganil. Met een half litertje wijn viert hij zijn geluk. De hele reis heeft hem nog geen vijf gulden gekost en dat was voor de bus naar Vale de Ouro. Verder heeft hij helemaal kunnen liften.
Hij peutert een verfrommeld geldbuideltje uit zijn volgepropte rugzak. Laat het eten acht gulden kosten, kom op, een tientje. Hij hoeft in elk geval niet meer naar de bank. Met zijn briefje van 5 contos kan hij het een hele poos uitzingen, daar boven op de heuvel.
Zal hij een taxi nemen? Het blijft maar regenen. Over de weg omhoog is het nog 16 km. Te voet, weet hij, een route van 11 à 12 km. Het is nog niet donker en hij heeft vandaag immers de hele dag op zijn luie reet gezeten…
Klotsend op doorweekte schoenen, waaruit zijn voeten verdwenen lijken, schuift hij twee uur later een klein cafeetje binnen. Hier boven lijkt het al diep in de nacht. Een handvol mannen zit achter kleine glaasjes naar een TV-scherm te staren. Ze hebben dikke jassen aan met opgestoken kragen. Ze dragen petten en twee van hen een zwarte hoed met een rand.
De nieuwkomer verrast hen. Zij doen geen moeite dat te verbergen en bekijken hem van top tot teen. Er staat al meteen zo’n klein glaasje voor zijn neus. Medronho, zegt hij. Ja, glimlacht de kastelein, zelf gestookt.
Vervolgens willen ze weten waar hij vandaan komt. Te voet, wel wel, en waar gaat dat heen?. O ja, Vale de Alta, daar boven. De geitenfokkerij. De kaasmakerij, voegt een ander er aan toe. Fijne mensen, die Hollanders daar. Het is toch altijd nog een kleine vier kilometer. Met dit weer…  Zorgelijk wordt er geknikt en naar buiten gewezen. De regen heeft inmiddels gezelschap gekregen van een stevige wind, die om het huis giert.
‘Weet je wat, ik breng je wel even.’ Het is de magerste van het stel en de enige zonder hoofddeksel. ‘Met de brommer’ zegt hij. ‘Heb je mijn bromfiets niet gezien. Voor de deur staat hij. Goeie brommer, hoor, pittig ding. Die vliegt naar boven, zo gepiept. De weg? Die ken ik op m’n duimpje.’
Siebe bestelt nog een glaasje en eigenlijk zou hij een rondje moeten geven. Volgende keer, besluit hij. Zijn voeten branden ongenadig en hij overweegt zijn schoenen uit te trekken. Maar hij wendt zich tot de magere man. ‘Als u dat doen wilt.’ De man staat al overeind en Siebe hoort zichzelf zeggen: ‘Drinkt u niet eerst iets van me?’ Nee, hij gaat liever meteen. Volgende keer graag.
Siebe slaat zijn medronho achterover en legt 100 escudos op tafel. Zijn laatste munten.
Hij strompelt achter de man, die opeens haast lijkt te hebben, naar buiten. Dat kleine stukje moet maar zonder helm, schreeuwt deze, tegen de wind in, en Siebe bindt de capuchon van zijn regenjack stevig om zijn hoofd. Ze gaan inderdaad redelijk snel de berg op, al maakt het vehikel onder zijn meteen al pijnlijke billen, een hels kabaal. Hij klemt zich vast aan de rug van zijn weldoener, en zigzaggend ontwijken ze in modderpoelen veranderde kuilen en afgewaaide boomtakken. ‘Is het al lang slecht weer hier?’ roept Siebe tegen de magere rug, maar hij krijgt geen antwoord.
Opgelucht staat hij een kwartier later bij het bordje Vale de Alta, dat, zij het zwiepend, dapper standhoudt. Ondanks de zwarte duisternis probeert hij zijn koude mond tot een glimlach te plooien, als hij de man dankbaar de hand schudt.
Graag gedaan, roept deze, en… zet de motor af.
Wat nu? Moet hij hem uitnodigen met hem af te dalen naar het huis van zijn vriend? Maar hij komt zelf al onaangekondigd…
Een minuut of wat staan ze te zwijgen in hevige windstoten. Beiden klemmen zich vast aan de brommer die tussen hen in staat na te dampen.
Dan ziet Siebe, hoe de man een witte hand ophoudt, recht onder zijn neus. Hij probeert hem iets duidelijk te maken. Arme man, verstaat hij en benzine is duur. ‘Héél duur’ roept hij, met zijn hand aan zijn mond nu.
Die kerel wil een fooi!
Als hij zijn hand op Siebe’s mouw legt, deinst deze achteruit. Hij zou moeten uitleggen dat hijzelf ook arm is, maar hoe doe je dat als je de taal nog maar net aan het leren bent? Hij kan het natuurlijk op een lopen zetten… In plaats daarvan zet hij zijn rugzak op het plankje van de brommer, waar hij, sukkel dat ie is, zijn billen heeft laten mishandelen.
In zijn buideltje zit alleen het briefje van 5000 escudos. Dom houdt hij het op en de man grist het uit zijn hand. Even is er geen zuchtje wind.. Nee, wisselgeld heeft hij niet. En buitenlanders zijn rijke lui, zoiets hoort hij hem zeggen.
De man stopt het bankbiljet in zijn binnenzak en start de motor.
‘Dag hè, en bedankt’ schreeuwt ie boven de wind uit.
Siebe hoort hoe hij zich fluitend verwijdert.
Maar waarschijnlijk is het de wind, die om het plastic van zijn capuchon giert.

In memoriam

Er was eens een straatarme man.
Hij woonde met zijn moeder in een vervallen schuur in het schilderachtige dorp waar hij 45 jaar geleden geboren was, pal aan de Portugese kust. In zijn oren ruiste, bruiste en bonkte onophoudelijk de zee.
Zijn bijna zwarte ogen stonden onder ruige grijzende krullen in een bruin-verweerd, regelmatig gezicht. In zijn fraai gevormde mond waren enkele tanden tot zwarte stompjes afgebrokkeld. Hij schoor zich net iets te vaak om van een baard te kunnen spreken.
Zijn vader was kortgeleden, na een leven waarin de meest opzienbarende feiten waren het mishandelen van vrouw en kinderen, kreunend van pijn en kwaadaardigheid aan zijn einde gekomen.
Zijn moeder was een domme, zwakke vrouw, die in plaats van opgelucht te zijn, doorging met zichzelf beklagen, zij het nu op de meewarige toon van een verse weduwe.
Twee weken keek haar zoon naar haar met bezorgde ogen, maar vervolgens weigerde hij als vanouds de klusjes die ze van hem verlangde: water halen bij de bron en brandhout regelen voor het vuur waaraan zij zich winter en zomer verwarmde. Hij betrad de hut vrijwel uitsluitend om tot ver in de dag zijn roes uit te slapen of de maaltijd te verorberen die zijn moeder onder jammerende protesten voor hem kookte van haar armoedige ouderdomspensioentje en van de liefdadigheid van haar buren. Hij was nooit getrouwd geweest en werkte niet, tenzij er direct een drankcentje of een pakje sigaretten aan vast zat. Liefst ook een maaltijd, zodat hij zijn moeder niet onder ogen hoefde te komen. Verder slenterde hij van het ene café naar het andere, inspecteerde talloze malen per dag de zee en knoopte hier en daar een praatje aan. Voor de grote hoeveelheden drank en sigaretten die hij tot zich nam, teerde hij op de zak van de toeristen die zijn fraaie dorp als vakantieplaats hadden uitverkoren.
Vrienden had hij niet, of het moesten die rijkgeworden voormalige schoolmakkers zijn, die als dokter cq als restauranthouder teruggekeerd naar hun geboortedorp, hem karweitjes lieten opknappen voor een habbekrats.
Deze man liet zijn oog vallen op mij.
Ik had als buitenlandse op 50-jarige leeftijd rust gevonden en een thuisgevoel, in zijn geboortedorp. Hij bood mij zijn liefde die ik versmaadde. Hij zocht en kocht mijn gezelschap met het aanbieden van zijn diensten. Hij bleek verbazend handig. Timmeren, schilderen, koken op houtvuur, vissen, alles waar je je handen voor nodig hebt, ging hem verbazend goed af. Van niets maakte hij iets. Wat ten onrechte los zat aan mijn eenvoudige onderkomen, auto of fiets maakte hij vakkundig vast, en omgekeerd. Van simpele ingrediënten kookte hij een heerlijke maaltijd. Hij luisterde geduldig naar mijn onbeholpen Portugees dat allengs verbeterde. Hij onthulde de familieverhoudingen binnen het dorp en vertelde de laatste nieuwtjes. We struinden de omgeving af, keerden terug naar huis met zeevruchten, visjes, wilde spinazie of paddestoelen, kookten, aten en dronken, knapten (mijn) karweitjes op en lachten.
We werden vrienden.
De ‘liefde’ bleef een heikel punt, evenals alcohol, geld, mijn vrijgevochtenheid en zijn vermogen om de waarheid naar zijn hand te zetten. Maar hij was nog nooit zo gelukkig geweest en ik meer dan ooit mezelf.
Toen werd hij ziek. Steeds vaker greep hij plotseling naar zijn maag, zonderde zich af om over te geven en deed vervolgens kregelige pogingen mijn bezorgheid weg te redeneren.
‘Je moet naar de dokter.’
‘Zeur niet, ik heb te veel, te weinig, te vlug, te warm, te koud, te vroeg, te laat, verkeerd gegeten, gedronken.’ Hij vermagerde, hij verzwakte.
Ik klopte in paniek aan bij zijn oude schoolmakkers: de dokter, de restauranthouder. Eindelijk slaagde de tweede erin hem aan te dienen bij de eerste.
Deze stuurde hem door naar een dorp verderop voor bloedonderzoek, dat twee weken later plaatsvond. Wij wachtten drie weken op de uitslag. Hij moest dringend naar het ziekenhuis voor een inwendig maagonderzoek.
Eindelijk mocht ik iets voor hem doen: hij vroeg of ik met hem mee ging. Het ziekenhuis lag 130 km het land in, voor hem een wereldreis. Ze namen hem terstond op. De verpleegkundige overhandigde me een pastic tas met zijn kleren en zijn schoenen en stuurde me naar huis. Hij klampte zich aan mij vast als een kind op zijn eerste schooldag.
Na een ellendige week in het tochtige ziekenhuis, waar bezoek slechts mondjesmaat werd toegelaten, werd hij geopereerd.
Twee dagen later strompelde hij, met een batterij slangen achter zich aan, naar de rookkamer. Ik schuifelde met hem mee.
‘Wat zegt de dokter?’
‘Niets’.
‘Heb je gevraagd wat zij gedaan heeft?’
‘Nee’.
‘Zal ik met haar gaan praten?’
‘Doe wat je niet laten kunt…’
‘Bent u zijn vrouw?’ vroeg de dokter en ik knikte.
‘Welnu, er zit een knots van een tumor, die de uitgang van de maag naar de dunne darm verstopte. We hebben een openingetje gemaakt, zodat uw man misschien nog een poosje normaal kan eten.’
‘Misschien?’
‘Laten we hopen dat hij nog even opknapt, ja.’
Op de ochtend van de vijfde dag na de operatie zat hij aangekleed op mij te wachten, in zijn bed lag al een andere patient. We gingen naar huis met gemengde en verdeelde gevoelens. Hij keerde vol pijn en hoop voor de toekomst terug naar zijn dorp. Ik was geschokt en vastbesloten hem gedurende de laatste fase van zijn leven bij te staan.
De dorpsbewoners trachtten hun verbijstering te verbergen bij het zien van zijn uitgeteerde gestalte. Tien minuten na aankomst zat hij op het vaste plekje in zijn stamcafé.
Ook na de operatie had hij nog niet gegeten. Zijn moeder, zijn tante, een buurvrouw en de vrouwen van de caféhouders trachtten hem aan het eten te krijgen. Hij kwam niet verder dan een beetje thee, melk, wat soep. Steeds vaker en langer bracht hij door in bed. Ik zat bij hem en wachtte vergeefs op een gunstig moment om met hem ‘te praten’. Vastberaden voorkwam hij elk gesprek dat verder ging dan zijn wond, zijn opgezette voeten, de pijn in zijn botten, de pillen, de injecties.
Geduld moesten we hebben, spoedig zou hij weer gaan eten, drinken, wandelen, fietsen, vissen, koken, knutselen.
Een maand lang hield hij dit vol, toen stierf hij zoals hij geleefd had: hij keerde zijn gezicht naar de muur en ademde niet meer.

Genieten

Met krachtige halen hijs ik de putemmer op. Het spannen van mijn armspieren voelt weldadig aan. Bij het overgieten in de wasteil spettert het water over mijn blote voeten.
De wind brengt de geur mee van zee en vermengt zich met de lucht van het dennenbos.
Haren wapperen in mijn ogen. Ik steek mijn neus in de wind om mijn gezicht te bevrijden.
Eén voor één, en keer op keer haal ik mijn kleren door het water. Tenslotte sleep ik ze met emmers vol naar de lange waslijn waaronder het onkruid uitbundig bloeit. Daar voeren ze een grillige dans uit. In een mum van tijd is alles droog. Dan draag ik armenvol geurig goed over het zandpad naar mijn hut.
Het duurt niet lang of mijn buurvrouw sloft naderbij. Een kleurige hoofddoek spant om haar blozende wangen. Met haar onbevangen ogen lijkt ze achttien in plaats van zeventig.
We drinken water uit de Fonte dos Amores, de meest nabije bron, en ik luister naar haar dromen.
Haar zoon die in Duitsland werkt, ze heeft nog altijd niets van hem gehoord. ‘Ach’ zucht ze ‘als hij maar gezond is..’ En haar dochter, kleinkinderen èn achterkleinkinderen in de Algarve.. ‘Ze zullen toch wel komen met Pasen?’
‘Is jouw was al droog?’ vraagt ze, praktisch opeens. ‘Ik heb nog een vrachtje in het sop staan en daar komen die van hèm straks nog bij’. Ze knikt in de richting van het buurhuis en vervolgt: ‘hij gaat in bad, het is vrijdag.’
Haar gezicht krijgt opnieuw een dromerige uitdrukking.
‘Wanneer zullen we nou eens elektriciteit krijgen en een waterkraan, een badkamer en.. een wàsmachine misschien? God geve dat ik dat nog meemaak..’
‘Ik zou hem missen, de put’.
Peilend kijkt ze me aan, alvast een twinkeling in haar ogen.
‘Lekker kliederen’ zeg ik.
Dan barst ze uit in een klaterende lach.

Heilig

Het is al druk in de wachtkamer van het Centro de Saude. Ruim de helft van de rode plastic stoelen, die aan weerszijden van de ruimte aan de vloer zijn vastgenageld, is bezet. Om en om zijn ze neergestreken, de in overwegend zwart geklede bezoekers. Tegen de fragiel ogende stoelpoten liggen plastic tasjes, in alle mogelijke pasteltinten uitgevoerd. Een grote zwarte paraplu staat in de hoek bij het venster en behoort toe aan de oude heer die er vlak bij zit. Hij draagt stevige leren laarzen, met verse moddersporen, de zonnige wintermiddag ten spijt.
Een vrouw van een jaar of 70 neemt de slippen van haar jas bijeen en wringt zich op de plaats naast hem. ‘Pardon’, zegt de vrouw aan haar andere zijde die doet of ze opschuift. In feite klemt ze slechts een enorme zwarte handtas nog steviger tegen zich aan.
‘Kent u mij niet meer’? De stem komt van de overkant. ‘Piedade ben ik, van Pequeninho Absento, weet u wel. U bent toch uh.. getrouwd met Fato Silva?’
‘Ik ben Maozinha, ja, en mijn man heet Fato, maar..’
Dona Piedade hangt zover voorover dat ze bijna van haar stoel valt. ‘Zie je dat, Cuidada, zij is de schoonmoeder van Cristina, weet je wel.
‘Ach’, zucht de aangesprokene, Maozinha’s buurvrouw, ‘Arme Desgraca, ze is op sterven na dood. Ze heeft die vreselijke ziekte in haar buik.’ Veelbetekenend knikt ze en een enorme hooddoek raakt gevaarlijk aan het schuiven. ‘En Destino, heb je dat gehoord. Ze hebben zijn been eraf gehaald.’
Een oude, nog knappe man, trekt twee krukken onder zijn stoel vandaan. Moeizaam komt hij overeind en hij sleept zich in de richting van de gang. Zijn voeten steken in hoge schoenen, waarvan er een tot een wanstaltige klomp vervormd is. 
Een vrouw van een jaar of veertig houdt de klapdeur voor hem open. 
‘Toe nou, Dora’, wijst ze haar dochter terecht, die met haar vrije hand aan haar mouw trekt. De andere hand klemt ze tegen haar wang of ze een te hoog uitgevallen kiespijn tracht te bezweren. ‘Ai’, jammert ze, ‘wanneer zijn wij nou aan de beurt’. Haar moeder trekt het meisje half op haar schoot. ‘Geduld, schat, we moeten geduld hebben. Oh, oh’, zucht ze vervolgens en haar ogen blijven haken aan de meewarige blik van een stokoude man. ‘Hemeltje lief, wat een leven’, zucht hij.
Een slonzig mens met onwaarschijnlijk elegante voeten kijkt demonstratief naar een soort rooster, hoog aan de muur. 
‘Moeten we daaruit niet geroepen worden?’ bast ze. 
Een vrij jonge man haalt zijn snor uit een onberispelijk gevouwen zakdoek en richt zijn hoofd op. ‘Ja ja’, er klinkt snot in zijn stem, ‘dat is de luidspreker van de dokter.
Allen staren nu naar het magische kastje en even is er iets van verwachting in de lucht. 
‘Wat een drukte’, zegt een nieuwkomer met een enorme zoom in zijn broek. ‘Ja ja’ mompelt Piedade ‘wat een drukte.’
‘Hoe laat is het?’ Het is de man van de paraplu, die uit zijn hoekje is gekomen, waar hij zijn laarzen heeft zitten bewerken met kleine bolletjes speeksel. Zonder op antwoord te wachten schuifelt hij naar buiten. 
‘Half vier geweest’, zegt Cuidada. De jongeman met de zakdoek schudt aan zijn horloge.
‘Ik heb het al vijf voor vier’, zegt hij zorgelijk. Vragend richt het rimpelige oudje zijn blik op de grote ronde klok boven de klapdeur. 
‘Elf uur, hij loopt flink achter’, constateert de moeder van Dora. ‘Of vóór’, zegt het meisje. Ze haalt haar hand van haar wang en kijkt uitdagend naar haar moeder. 
Ergens achter in het gebouw klapt een deur. Verschillende blikken richten zich op de luidspreker. 
‘Hè hè’, doet Cuidada en ze draait haar hoofd naar Maozinha. ‘Mijn rug, ik kan bijna niet blijven zitten. Het is me weer in de rug geschoten. Vorig jaar…’
Maozinha luistert maar half. Ze zit te denken aan de was die ze ‘s morgens heeft buiten gehangen. Als ze maar voor het donker thuis is..
‘Waar is die man met de paraplu?’, vraagt Piedade. ‘Is die al naar binnen. Ik was toch echt vóór hem aan de beurt.
‘Daar buiten’, wijst haar nieuwe buurvrouw, een vrouw met grote neusgaten, hij rookt een sigaretje. Wat een hitte hier’, voegt ze er aan toe.
Er volgt een vermoeide stilte. Nieuwe bezoekers komen binnen. De zitplaatsen zijn vol en er ontstaat enig gedrang bij de ingang.
De heer met de paraplu, die een smerige rooklucht mee naar binnen brengt, kijkt naar zijn bezette stoel.
‘Ben ik nog niet aan de beurt?’, vraagt hij aan Cuidada. 
‘Nou nee, ik geloof niet dat…’ De man is echter al verdwenen door de klapdeur. 
Verbazend snel keert hij terug. ‘Er zit niemand aan de balie. Nee achter ook niet, er is geen kip te bekennen’. 
‘En de zuster dan? En de dokter? 
Hebt u wel op het knopje gedrukt?’
Van alle kanten tegelijk komen de vragen. 
De man met de snor stuift overeind. ‘Niemand te bekennen?!’ Het klinkt smalend, of hij een paar domme kinderen berispt.
‘U bent verschrikkelijk verkouden’, zegt Cuidada, ‘u mag wel uitkijken.’
‘Mama, wanneer roept de dokter ons nou?
De vrouw met de elegante voeten sprint naar de uitgang. Haar hakken tikken venijnig en ze duwt de jongeman met de snor opzij.
‘Op slot’, zegt ze en keert zich zwierig om. ‘De deur is op slot.’
‘Maar..’ begint de moeder van Dora. Ze geeft een rukje aan de klapdeur, die geen centimeter wijkt..
‘Het raam’, zegt de heer met de paraplu. Verbazend lenig slingert hij een voet op de vensterbank. Zijn paraplu kletst tegen de grond.
‘Mijn hemel’, roept hij maar zijn stem gaat verloren in een wonderlijk geluid dat plotseling de hele kamer vult. Het is een wolk van muziek waaruit een zacht zalvende stem zich losmaakt.
‘Beminde gelovigen, hier spreekt uw gezagvoerder. Neemt u allen uw plaatsen in. Binnen enkele ogenblikken gaan wij landen.
Handen graaien om zich heen. Plastic tasjes worden op schoot genomen. Drie mensen tegelijk storten zich op de stoel van de snor. Dora moet bij haar moeder op schoot gaan zitten.
‘Fasten your seatbelts’.
‘Riemen vast’, kraait de vrouw met de basstem.
‘Aan uw linkerhand ziet u Fatima al liggen. Laten wij bidden.’
‘Daar’, zegt de kreupele man, ‘het komt dáár vandaan’ en aller ogen richten zich omhoog, naar het rooster in de wand. Een geronk zwelt aan. Zij houden allemaal hun adem in. Alleen Dora gilt het uit. Dan is het stil. 
‘We zijn er’, roept Maozinha. ‘Applaus!’
Over de gezichten trekt een verzaligde glimlach en ze klappen, ze klappen, of hun leven ervan afhangt.

De tandenborstel

Knipperend tegen de zon stap ik over de drempel van mijn bescheiden onderkomen op het platteland van Zuidwest Portugal. Eens even kijken of ik een eitje kan verschalken bij de buren.
Rosa, mijn bejaarde buurvrouw, ziet er opgetogen uit. Haar gladde wangen, gebronsd door het buitenleven, hebben een rode gloed.
‘Kijk eens’ zegt ze ‘dit is een tandenborstel’. Trots steekt ze zo’n ding in de lucht waarvan ik er in de loop van mijn leven een stuk of honderd versleten moet hebben.
‘En dit is tandpasta’.
‘Colgate’ lees ik en opeens ben ik weer zes en sta ik aan de wastafel van het slaapkamertje dat ik deel met mijn kleine zus. Als ik op mijn tenen sta zie ik een tenger meisje in spiksplinternieuw wit ondergoed ijverig haar tandjes poetsen.
De grote dag is daar, 18 mei 1950, ik doe m’n Eerste Heilige Communie. Een lange witte bruidjesjurk hangt te wachten in de kast. Zo dadelijk mag ik ‘m aan, mag ik ‘m eindelijk aan.
Ik hef het waterglas met het laatste spoelwater.
‘Niet doen!’
Een van mijn oudere broers stormt de kamer binnen en onderschept het waterglas. Water gutst over mijn zwarte lakschoenen. Ik deins terug waarbij ik mijn zusje op haar tenen trap. Zij zet een keel op en voor ik het weet ben ik omringd door de hele familie die me ernstig herinnert aan een der heilige geboden van de Enig Ware Kerk, die van Rome. Gij zult nuchter ter communie gaan.
Ik had toch geen water gedronken? Ook niet een heel klein slokje? Ik onderwerp mijn prille geweten aan een grondig onderzoek. Nee, geen druppel. Tot op de dag van vandaag ben ik blij dat het werkelijk zo was, want ik zou er niet om gelogen hebben.
En ze zouden me niet hebben laten gaan.
De speciaal op mijn lijf gemaakte lange witte jurk, in een echte schoenenwinkel gekochte lakschoenen, ongerepte witte sokjes, ze zouden in de kast blijven..
En dat in die magere jaren.
Maar we poetsten al wel onze tanden. Twee maal daags, ‘s morgens en ‘s avonds, met een licht schuldgevoel na het middagmaal, wanneer het eigenlijk ook zou moeten..
Zo niet mijn huidige buurvrouw, die op 67 jarige leeftijd als een blij kind voor me staat. Na de tandpasta valt er nog een fles mondwater te bewonderen. Op dezelfde manier stalt ze haar medicijnen voor me uit na haar regelmatige bezoeken aan de apotheek in het naburige dorp.
Tandenborstel en tandpasta, ze zullen maar kort dienst doen. Mijn buurvrouw ‘moet van de dokter’ enkele weken haar ‘mond wassen’ om de ontstekingen in en rond de stompjes tand die haar resten te genezen. Daarna wordt het hele zaakje eruit gehaald.
Het moet wat potsierlijk klinken uit mijn mond vol kunstig opgelapte tanden en kiezen. Maar ik zal ze missen de twee hoektanden die het gezicht van mijn buurvrouw karakteriseren. Zij vallen als de geoliede onderdelen van een scharnier in elkaar als ze zich zijwaarts stort op een van haar vele lievelingsgerechten. Voorlopig is het nog niet zover.
Thans kondigt ze aan dat ze haar gebit voor het eerst van haar leven te lijf zal gaan met haar eerste tandenborstel.
‘Een eitje?’ vraagt ze als ze de reden van mijn komst hoort. ‘Wat moet je nou met één ei? Hier’. Ze stopt er zes in mijn handen.
Als ik een poosje later zit te smullen heb ik nog steeds een glimlach op mijn gezicht.

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *