Portugal en ik

Portugal en ik, we kennen elkaar sinds 1992.
Ik ben er indertijd geheel toevallig verzeild geraakt.
Dat ging zo… Op een grijze dag in maart, ik was 49, besprong mij de moed der wanhoop en besloot ik af te reizen naar het zonnige zuiden, de lente tegemoet. Ik kocht een auto, ik kocht een tent, ik kreeg van een bezorgde vriendin het adres van een Vlaamse camping in Zuid-Frankrijk en ik vertrok.
Waar je ook heen gaat, je neemt jezelf mee, is een waarheid als een koe. Niettemin gleed er al na enkele kilometers een zware last van mijn schouders en sprak ik tot mezelf: hé je bent er nog! De muizenissen, de somberte, de verlammende vermoeidheid, zelfs de eenzaamheid, ik had ze warempel achtergelaten in het hofjeshuis dat in toenemende mate aanvoelde als een gevangenis.
De auto, de tent ze waren ogenblikkelijk mijn thuis en na een dag of drie installeerde ik me in een hoekje van de vrijwel lege Vlaams-Franse camping.
Het regende en het regende en het zonnetje dat zich zo nu en dan tussen de wolken door wrong, gaf nauwelijks warmte. Dus struinde ik met mijn autootje de omgeving af, op zoek naar oude dorpjes en levendige streekmarkten, ik bezocht de ruïne van het nabije kasteel van Montségur, las over de gruwelijke geschiedenis van de Katharen, bezocht een concert met een vrouwelijke dirigent, die me betoverde, ik at frambozen met slagroom op een per ongeluk even zonnig terras maar ondertussen: het bleef koud, het bleef maar regenen…
Op goede vrijdag passeerde ik, gehuld in vrijwel alle kleren die ik bij me had, in een beslagen auto, waarin de natte tent, een natte handdoek, natte sokken…, de Spaanse grens. Ik cirkelde door de Pyreneeën, bergje op en bergje af en daar was de zon! Dampend reden we daar, mijn autootje en ik. De ruitenwissers maakten overuren. Jas uit, vest uit, trui uit, raampjes zemen, sokken uit, raampjes open en nog eens met de al kletsnatte lap er overheen… Opgetogen slokte ik de berglucht naar binnen en vergaapte ik me aan de schitterende vergezichten, die om elke bocht weer anders waren.
Pasen in Spanje en de goede week, Semana Santa, wist ik veel. Overvolle campings met Spanjaarden op zijn luidruchtigst, volle hotels, en zo kwam ik terecht in een bergdorp waarvan ik de naam niet meer kan achterhalen en nee, hier was in de verste verte geen camping, maar waarom zette ik mijn tentje niet op het voetbalveldje neer? De plaatselijke jeugd kwam me nieuwsgierig gezelschap houden en met hun gretige vrolijkheid om me heen, deelde ik mijn voorraadje pinda’s. Ik heb ook nog een weekje gelogeerd in El Miracle, het klooster van ene Pater Alcui, die kleine stukjes verhuurde aan passanten. Hij was aandoenlijk behulpzaam en ik had het enorm naar mijn zin in mijn appartementje waar het zonnetje aan alle kanten naar binnen piepte.
Tot het opnieuw begon te regenen. Dagenlang viel zij met bakken uit de hemel en tenslotte joeg ze me het klooster uit. Vaarwel pater Alcui!
Ik reed op de bonnefooi, zoveel mogelijk in zuidwestelijke richting en zo kwam het dat op een gegeven moment het woord Portugal op de verkeersborden verscheen. Waarom zou ik daar niet eens heen gaan? Ik was nu toch op drift.
En zo is het gekomen…
Ik heb altijd gehouden van de zee. Bossen, fris, geurig en je kijkt er je ogen uit en je oren erbij… Maar de openheid, de oneindigheid, het onberekenbare karakter van de zee, soms vriendelijk kabbelend, dan weer angstaanjagend hevig, de onvergelijkbare frisheid van de lucht, en het onvolprezen zonnepad in de namiddag, ze maken van de zee mijn favoriet.
Portugal met zijn lange kustlijn, daar ging ik mijn geluk beproeven!
Ik moet bij Miranda do Douro het land zijn binnengekomen en moegereden ben ik het eerste het beste hotelletje binnengelopen. Ik herinner me mijn verwarring, vervreemding, die niet geheel onaangenaam was maar die ik indertijd niet thuis kon brengen. Achteraf moet ik juist de verwarring van de eigenaren van het hotelletje hebben aangevoeld. Allervriendelijkst gaven ze me te eten op een in hun ogen onmogelijk uur waardoor ik de enige gast leek. De volgende ochtend was ik weer veel te vroeg voor het ontbijt, omdat ik het tijdsverschil, destijds twee volle uren, over het hoofd had gezien. Ook toen werd ik zonder voorbehoud op mijn wenken bediend.
Ook al werd mij een huis te huur aangeboden, ‘hier vlakbij’, en voor de prijs van ik meen vijfhonderd escudos per nacht, nog geen 6 gulden, ik vervolgde mijn weg, recht op o Porto af. Op mijn vers aangeschafte kaart van Portugal stond een tentje getekend, iets ten zuiden van Porto: Cortegaça heette het daar en daar ging ik naar toe.
Ik heb een kleine maand doorgebracht op de camping van Cortegaça. Ik wist niet wat me overkwam, wat een oord! Het kampeerveldje lag pal aan zee en die eerste nacht… het was of ik door de branding verzwolgen ging worden, wat een gebulder. Even wennen en oh wat was het heerlijk slapen ‘in de golven’.
De camping was van een club uit Porto die hier, ik weet niet hoeveel, een paar honderd schat ik, stacaravans had staan. Die eerste dagen van mei, mijn tentje stond daar in zijn eentje en pas in het weekend kwam een handjevol mensen opdagen kennelijk om hun roulotte, hun stacaravan, op te knappen. Er werd hard gewerkt en luidruchting gegeten tussen de middag en ik verbaasde me erover dat geen van deze nijvere bijen een bezoekje leek te brengen aan het strand.
Ik intussen deed niet anders. Zonnebaden wisselde ik af met fikse strandwandelingen, naar noord en naar zuid en er was dat heerlijke strandcafé waar ik al gauw kind aan huis was.
1992 had kennelijk een mooie meimaand want ik herinner me van die weken geen spatje regen. Daar moet op een gegeven moment verandering in zijn gekomen want eind mei ben ik opnieuw ‘gevlucht’ in zuidelijke richting. Een paar daagjes op de camping van Coimbra brachten me in contact met een Nederlandse-op-leeftijd die reisde met een klein bestelbusje waarin zij met haar hond overnachtte. Hier werd ongetwijfeld de kiem gelegd voor mijn latere bus-met-bed leven.
Gegrepen door de ongekend relaxte sfeer in Coimbra, waar de studenten als prinsen en prinsessen werden behandeld, en de auto’s keurig stopten bij elk zebrapad, werd ik  nieuwsgierig naar Lissabon. In elk geval heb ik daar vervolgens vier dagen ‘gewoond’ in een hotelletje in de nok van zo’n prachig pand op de Praça dos Restauradores.
In mijn dagboek noteerde ik:‘ …Lissabon, (foto Brenda Aben: quiosque op het Praça da Luís Camões) ik dwaal er rond, mijn neus achterna, en wordt getroffen door de sterke contrasten tussen de chique autovrije passages naar de Tejo b.v. en de armelijke straten en steegjes in de bovenstad. Het getimmer en het geboor. Hele straten zijn opgebroken en talloze gebouwen staan in de steigers, of worden aan de binnenkant opgeknapt. Wat lopen hier veel donkere mensen rond, m.n in de bouw zijn ze in de meerderheid. En de vele ijzerwaren/ gereedschapswinkels, van volledige motoren tot flesjes en potjes vol kogeltjes, spijkers en piepkleine onderdelen, van alles en nog wat. Ter ondersteuning van al het getimmer moet dit wel een bloeiende bedrijfstak zijn. Ik geniet van het exotische en probeer mijn energie af te stemmen op het voortdurende stijgen en dalen van de straten, drink hier en daar koffie, koop wat fruit en tenslotte een plattegrond van de stad. Op mijn hotelkamer bestudeer ik de kaart. Ik ben dus geweest in de Bairo Baixo, en de Bairo Alto en heb al snel geen weerstand meer kunnen bieden aan mijn hang naar de oever van het water, de Tejo…’
Daar ook zat ik de volgende ochtend te smullen in een overvolle pastelaria, toen ik getroffen werd door de zee van paraplu’s die plotseling het Praça de Comércio vulde. Als bij toverslag. Ik vergaapte me aan het gemak en de souplesse waarmee de mensenmenigte om elkaar heen danste met die stakerige dingen op wisselende hoogte boven zich.
De regen hield aan, alweer. Bovendien miste ik mijn tentje, miste ik de zee.
Jawel, ik was al gegrepen door de betovering van Lisboa, maar toch, daar ging ik weer, op naar het zonnige zuiden, dat moest toch ergens te vinden zijn…
Het kostte me anderhalf uur om de zuidelijke uitweg uit de stad te vinden, maar eindelijk reed ik dan over de Ponte de 25 de Abril. Naar het zuiden en naar het westen lag de zee…
Twee dagen later, op 28 mei, arriveerde ik in een plaatsje waarvan ik als volgt mijn eerste indruk beschrijf: ‘dit lijkt me een spannende omgeving om te verkennen. Het overtreft verre de omgeving van Cortegaça, wat was dat eigenlijk een rotgebied. Alleen de uiterst smalle strandstrook was aantrekkelijk. En als er geen afscheidingen waren gemaakt, reed je zo van de straat het strand op. Hier daarentegen ziet de kust er ontoegankelijk uit.
Zambujeira do Mar ligt op een rots, hoog boven de zee, zeker 20 meter. Strandjes tussen de rotsen, leuk en utdagend. Stel dat morgen de zon schijnt…’
Ik lees Pirsig in in die dagen: Zen en de kunst van het motorrijden. ‘Soms is het een beetje beter om te reizen dan om aan te komen’ citeer ik hem.
Ik echter was aangekomen, al besefte ik dat nog niet.
In een steegje, in een onooglijk huisje, wachtte mij de liefde.

Liefde in den vreemde

Laat ik beginnen bij het begin.
Ik had onderdak gevonden bij dona Maria, die ik later zou leren kennen als de schoonmoeder van Chico Valdejoso, wiens naam ik hier met liefde en respect neerschrijf. Misschien kom ik er later nog eens toe dit toe te lichten, nu gaat het eerst om Zé Pedro, die de liefde van mijn leven had moeten worden.
Ik had mezelf getrakteerd op een uitgebreide maaltijd en zat nog wat te lezen in de schemering, op het terras van Rita. De mannen van het dorp zaten binnen en keken ongetwijfeld voetbal.
Aan de rand van het terras hield zich een vage gestalte op, die er geen geheim van maakte dat hij daar stond voor mij. ‘What do you read?’ en bijna meteen er achteraan: ‘daar beneden is een leuk café, ga je mee?’ En dat deed ik. Ik doe geen poging te verklaren waarom ik zomaar met ‘een vreemde man meeging’ want ik snap het zelf niet.
Het was volle maan, uiteraard…
Deze bescheen een aflopende boulevard die uitmondde in een stenen wenteltrap die mijn begeleider afdaalde in een tempo dat me eraan deed twijfelen of hij nog wist dat ik er was. Ik volgde hem en betrad de eerste treden. Ik kan onmogelijk zeggen wat me het meest overweldigde: het oorverdovende gebulder of de glanzend witte schuimkoppen van de branding van de aanstormende Atlantische Oceaan. Waarschijnlijk was het de combinatie van beide die me de adem benam.
Beneden stond mijn nieuwe vriend. ‘Hier’ zei hij ‘o Fresco, het leukste café van het dorp’.
Hoe was het daarbinnen, hebben we een biertje gedronken, hebben we gepraat? Ik herinner me alleen dat hij vroeg of ik de volgende dag bij hem kwam eten, hij zou me opwachten bij café Rita, om half acht.
Gedreven door een speciaal soort nieuwsgierigheid wachtte ik de volgende avond op het terras van Rita, in het hoekje waar de laagstaande zon nog wat warmte gaf. Precies op tijd schoot de man met de slordige blonde haardos het tweede steegje van rechts uit en gebaarde dat ik mee moest komen. Alsof het hier om een geheime missie ging. Natuurlijk had ik argwaan, dit kon geen zuivere koffie zijn, en wie ging er nou mee met een vreemde snuiter, in een vreemd dorp in een vreemd land. Maar ik stak gewoon het pleintje over, sloeg het tweede steegje in en liep achter hem aan. Hij ging het allerlaatste huisje binnen (ao fundo, daar achteraan) en liet de deur voor mij open.
Ik zag een piepkleine ruimte waarvan moeilijk te zeggen was of het een hal, een kamer of een keuken was. Een hal viel trouwens meteen af, want op een tafeltje tegen de muur stonden twee borden met een vork erop naast een derde bord met slablaadjes met uienringen en een half brood en hij wees me te gaan zitten op een van de twee houten stoelen die erbij stonden.
Naast een tweepits gasstel stond een derde bord met twee dikke koteletten erop. Hij prikte een vork in de eerste kotelet, draaide de gaskraan open en hield er een lucifer bij. In de vlam van die pit draaide en keerde hij de kotelet. Het vet dat er knetterend uitdroop voegde zich bij een zwarte korst die over het hele apparaat was vastgekoekt. Met stomheid geslagen zat ik daar. We hadden trouwens nog geen enkel woord gewisseld.
‘Kan ik helpen?’ vroeg ik tenslotte. ‘Nee hoor, het is al klaar en hij mikte de geurige lap vlees op het bord dat het dichtst bij me stond. Smakelijk eten. In een mum van tijd was ook de tweede kotelet ‘gegrilld’ en hij kwam bij me zitten.
Gebiologeerd keek ik toe hoe die gebruinde knuisten een dikke plak brood afsneden en naast mijn bord legden. Ik wilde ze pakken, die toegewijde handen en de man die eraan vast zat naar me toe trekken. Deze man echter veegde zijn handen af aan zijn broek, ging op zijn stoel zitten en keek me eindelijk aan. Zijn bruine kijkers, de intensiteit van dat kijken, het lichte lachje rond zijn lippen… 
Zoals dat altijd gaat, die eerste keer, -of gebeurt dat verder alleen in romantische films?-, we bogen naar elkaar toe en begonnen elkaar te kussen. Niet aftastend, niet voorzichtig, nee, de vlam sloeg vol in de pan en we deden wat we konden om het gedekte tafeltje te overbruggen.
De koteletten zijn niet meer gegeten die avond, noch de sla, noch het brood. Misschien dronken we een flesje bier? Ik weet bijna zeker dat we al snel verdwenen in het vochtige sousterrain, in zijn groezelige bed, maar het kan ook de volgende dag geweest zijn. Of de dag erna.
De weken die volgden waren een rollercoaster van intense ervaringen. Een man die de ene dag zijn armen spreidde in een onvoorwaardelijk welkom en me meevoerde in een erotisch universum waar ik tot dan toe geen weet van had. De dag erop had hij een gezicht als een oorwurm en keurde hij me geen blik waardig. Als ik het waagde niet meteen rechtsomkeer te maken snauwde hij me zijn huis uit, de straat uit, het dorp of (naar mijn gevoel) het hele land uit.
Na al die jaren verbaast me mijn eigen standvastigheid. Ik liet hem met rust, die dag en nog een paar dagen maar steeds weer kwam dat moment dat hij zijn armen spreidde en ik thuis kwam.
Het werd een relatie die enkele jaren heeft geduurd. Ik reisde regelmatig op en neer, naar Nederland, waar ik in een afkeuringsprocedure van mijn werk zat. En waar mijn kinderen woonden. Ik liet bandjes achter, met zijn en mijn lievelingsmuziek en stuurde hem ansichtkaarten. En ik fantaseerde. Was er een manier om bij hem te zijn, bij hem te blijven?
Hij was verslaafd aan spul dat hij met hand- en spandiensten aan alle kanten bij elkaar sprokkelde en ik maakte me zorgen. Maar ik deed niet met hem mee, d.w.z. ik rookte noch slikte zijn spul. Wel lag ik gelukzalig in zijn armen, in de extatische rust van zijn trip…
Er was die nacht dat ik sliep in zijn armen, terwijl hij naar me keek. Telkens als ik mijn ogen opende, was hij er nog en keek. Glimlachte hij me geruststellend toe? Misschien heb ik dat erbij gefantaseerd…  Hij had de oortjes van zijn radio in en rookte ‘spul’. Was het hasj, was het heroïne, ik ben er niet achter gekomen en heb me er nauwelijks in verdiept. Het was goed zoals het was.
‘Je bent te laat gekomen’ zei hij op een keer, ‘ik ben al verloren’. En nog wat later: ‘neem Manuel maar, daar heb je tenminste wat aan’.
Het was verdrietig, het was tragisch, het was prachtig, het was liefde.

En ik deed in feite precies wat Zé Pedro me adviseerde: ik ‘nam’ tenslotte Manuel.
Na twee nachtjes bij dona Maria, in haar keurige kamer met badkamer, vertrok ik naar de plaatselijke camping. Daar…

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *