Portugal en ik

Op een grijze dag in maart besprong mij de moed der wanhoop en ik besloot af te reizen naar het zonnige zuiden, de lente tegemoet. Ik kocht een auto, ik kocht een tent, ik kreeg van een bezorgde vriendin het adres van een Vlaamse camping in Zuid-Frankrijk en ik vertrok.
Waar je ook heen gaat, je neemt jezelf mee, is een waarheid als een koe. Niettemin gleed er al na enkele kilometers een last van mijn schouders en sprak ik tot mezelf: hé je bent er nog! De muizenissen, de somberte, de verlammende vermoeidheid, zelfs de eenzaamheid, ik had ze warempel achtergelaten in het hofjeshuis dat in toenemende mate aanvoelde als een gevangenis.
De auto, de tent ze waren ogenblikkelijk mijn thuis en na een dag of drie installeerde ik me in een hoekje van de vrijwel lege Vlaams-Franse camping.
Het regende en het regende en het zonnetje dat zich zo nu en dan tussen de wolken door wrong, gaf nauwelijks warmte. Dus struinde ik met mijn autootje de omgeving af, op zoek naar oude dorpjes en levendige streekmarkten, ik bezocht de ruïne van het nabije kasteel van Montségur, las over de gruwelijke geschiedenis van de Katharen, bezocht een concert met een vrouwelijke dirigent, die me betoverde, ik at frambozen met slagroom op een, per ongeluk even, zonnig terras maar ondertussen: het bleef koud, het bleef maar regenen.
Op goede vrijdag passeerde ik, gehuld in vrijwel alle kleren die ik bij me had, in een beslagen auto, waarin de natte tent, een natte handdoek, natte sokken…, de Spaanse grens. Ik cirkelde door de Pyreneeën, bergje op en bergje af en daar was de zon! Dampend reden we daar, mijn autootje en ik. De ruitenwissers maakten overuren. Jas uit, vest uit, trui uit, raampjes zemen, sokken uit, raampjes open en nog eens met de al kletsnatte lap er overheen. Opgetogen slokte ik de berglucht naar binnen en vergaapte ik me aan de schitterende vergezichten, die om elke bocht weer anders waren.
Pasen in Spanje en de goede week, Semana Santa, wist ik veel. Overvolle campings met Spanjaarden op zijn luidruchtigst, volle hotels, en zo kwam ik terecht in een bergdorp waarvan ik de naam niet meer kan achterhalen en nee, hier was in de verste verte geen camping, maar waarom zette ik mijn tentje niet op het voetbalveldje neer? De plaatselijke jeugd kwam me nieuwsgierig gezelschap houden en met hun gretige vrolijkheid om me heen, deelde ik mijn voorraadje pinda’s.
Ik heb ook nog een weekje gelogeerd in El Miracle, het klooster van ene Pater Alcui, die kleine stukjes verhuurde aan passanten. Hij was aandoenlijk behulpzaam en ik had het naar mijn zin in mijn appartementje waar het zonnetje aan alle kanten naar binnen piepte.
Tot het opnieuw begon te regenen. Dagenlang viel zij met bakken uit de hemel en tenslotte joeg ze me het klooster uit. Vaarwel pater Alcui!
Op de bonnefooi reed ik zoveel mogelijk in zuidwestelijke richting en zo kwam het dat op een gegeven moment het woord Portugal op de verkeersborden verscheen. Waarom zou ik daar niet eens heen gaan? Ik was nu toch op drift.
En zo is het geschied.
Ik heb altijd gehouden van de zee. Bossen, fris, geurig en je kijkt er je ogen uit en je oren erbij. Maar de openheid, de oneindigheid, het onberekenbare karakter van de zee, soms vriendelijk kabbelend, dan weer angstaanjagend hevig, de onvergelijkbare frisheid van de lucht, en het onvolprezen zonnepad in de namiddag, ze maken van de zee mijn favoriet.
Portugal met zijn lange kustlijn, daar ging ik mijn geluk beproeven!
Ik moet bij Miranda do Douro het land zijn binnengekomen en moegereden ben ik het eerste het beste hotelletje binnengelopen. Ik herinner me mijn verwarring, vervreemding, die niet geheel onaangenaam was maar die ik indertijd niet thuis kon brengen. Achteraf moet ik juist de verwarring van de eigenaren van het hotelletje hebben aangevoeld. Allervriendelijkst gaven ze me te eten op een in hun ogen onmogelijk uur waardoor ik de enige gast leek. De volgende ochtend was ik weer veel te vroeg voor het ontbijt, omdat ik het tijdsverschil, destijds twee volle uren, over het hoofd had gezien. Ook toen werd ik zonder voorbehoud op mijn wenken bediend.
Ook al werd mij een huis te huur aangeboden, ‘hier vlakbij’, en voor de prijs van ik meen vijfhonderd escudos per nacht, nog geen 6 gulden, ik vervolgde mijn weg, recht op o Porto af.
Op mijn vers aangeschafte kaart van Portugal stond een tentje getekend, iets ten zuiden van Porto: Cortegaça heette het daar en daar ging ik naar toe.

O pôr de sol in Cortegaça

Ik heb een kleine maand doorgebracht op de camping van Cortegaça. Ik wist niet wat me overkwam, wat een oord! Het kampeerveldje lag pal aan zee en die eerste nacht… het was of ik door de branding verzwolgen ging worden, wat een gebulder. Even wennen en oh wat was het heerlijk slapen ‘in de golven’.
De camping was van een club uit Porto die hier, ik weet niet hoeveel, een paar honderd schat ik, stacaravans had staan. Die eerste dagen van mei, mijn tentje stond daar in zijn eentje en pas in het weekend kwam een handjevol mensen opdagen kennelijk om hun roulotte, hun stacaravan, op te knappen. Er werd hard gewerkt en luidruchting gegeten tussen de middag en ik verbaasde me erover dat geen van deze nijvere bijen een bezoekje leek te brengen aan het strand.
Ik intussen deed niet anders. Zonnebaden wisselde ik af met fikse strandwandelingen, naar noord en naar zuid en er was dat heerlijke strandcafé waar ik al gauw kind aan huis was
1992 had kennelijk een mooie meimaand want ik herinner me van die weken geen spatje regen. Daar moet op een gegeven moment verandering in zijn gekomen want eind mei ben ik opnieuw ‘gevlucht’ in zuidelijke richting.
Een paar daagjes op de camping van Coimbra brachten me in contact met een Nederlandse-op-leeftijd die reisde met een klein bestelbusje waarin zij met haar hond overnachtte. Hier werd ongetwijfeld de kiem gelegd voor mijn latere bus-met-bed leven.
Onder de indruk van de ongekend relaxte sfeer in Coimbra, waar de studenten als prinsen en prinsessen werden behandeld, en de auto’s keurig stopten bij elk zebrapad, werd ik nieuwsgierig naar Lissabon. In elk geval heb ik daar vervolgens vier dagen ‘gewoond’ in een hotelletje in de nok van zo’n prachig pand op de Praça dos Restauradores.
In mijn dagboek-van-toen staat:

Quiosque op het Praça Luís Camões. Foto Brenda Aben

‘…Lissabon, ik dwaal er rond, mijn neus achterna, en wordt getroffen door de sterke contrasten tussen de chique autovrije passages naar de Tejo b.v. en de armelijke straten en steegjes in de bovenstad. Het getimmer en het geboor. Hele straten zijn opgebroken en talloze gebouwen staan in de steigers, of worden aan de binnenkant opgeknapt. Wat lopen hier veel donkere mensen rond, m.n in de bouw zijn ze in de meerderheid. En de vele ijzerwaren/ gereedschapswinkels, van volledige motoren tot flesjes en potjes vol kogeltjes, spijkers en piepkleine onderdelen, van alles en nog wat. Ter ondersteuning van al het getimmer moet dit wel een bloeiende bedrijfstak zijn.
Ik geniet van het exotische en probeer mijn energie af te stemmen op het voortdurende stijgen en dalen van de straten, drink hier en daar koffie, koop wat fruit en tenslotte een plattegrond van de stad. Op mijn hotelkamer bestudeer ik de kaart. Ik ben dus geweest in de Bairo Baixo, en de Bairo Alto en heb al snel geen weerstand meer kunnen bieden aan mijn hang naar de oever van het water, de Tejo…’
Daar ook zat ik de volgende ochtend te smullen in een overvolle pastelaria, toen ik getroffen werd door de zee van paraplu’s die plotseling het Praça de Comércio vulde. Als bij toverslag. Ik vergaapte me aan het gemak en de souplesse waarmee de mensenmenigte om elkaar heen danste met die stakerige dingen op wisselende hoogte boven zich.
De regen hield aan, alweer. Bovendien miste ik mijn tentje, miste ik de zee.
Ja zeker, ik was al gegrepen door de betovering van Lisboa, maar toch, daar ging ik weer, op naar het zonnige zuiden, dat moest toch ergens te vinden zijn.
Het kostte me anderhalf uur om de zuidelijke uitweg uit de stad te vinden, maar eindelijk reed ik dan over de Ponte de 25 de Abril. Naar het zuiden en naar het westen lag de zee…
Twee dagen later, op 28 mei, arriveerde ik in een plaatsje waarvan ik in mijn dagboek een eerste indruk schreef: ‘dit lijkt me een spannende omgeving om te verkennen. Het overtreft verre de omgeving van Cortegaça, wat was dat eigenlijk een naargeestig gebied. Alleen de uiterst smalle strandstrook was aantrekkelijk. En als er geen afscheidingen waren gemaakt, reed je zo van de straat het strand op. Hier daarentegen ziet de kust er ontoegankelijk uit.

Bovenop een klif ligt Zambujeira do Mar

Zambujeira do Mar ligt op een klif, hoog boven de zee, zeker 20 meter. Strandjes tussen de rotsen, leuk en utdagend. Stel dat morgen de zon schijnt…’
Ik lees Pirsig in in die dagen: Zen en de kunst van het motorrijden. ‘Soms is het een beetje beter om te reizen dan om aan te komen’ citeer ik hem.
Ik echter was aangekomen, al besefte ik dat nog niet.
In een steegje, in een onooglijk huisje, wachtte op mij de liefde.

Liefde in den vreemde – Zé Pedro

Ik had onderdak gevonden bij dona Maria, die ik later zou leren kennen als de schoonmoeder van Chico Valdejoso, wiens naam ik hier met liefde en respect neerschrijf. Misschien kom ik er later nog eens toe dit toe te lichten, nu gaat het eerst om Zé Pedro, die de liefde van mijn leven had moeten worden.
Ik had mezelf getrakteerd op een uitgebreide maaltijd en zat nog wat te lezen in de schemering, op het terras van Rita. De mannen van het dorp zaten binnen en keken ongetwijfeld voetbal.
Aan de rand van het terras hield zich een vage gestalte op, die er geen geheim van maakte dat hij daar stond voor mij. ‘What do you read?’ en bijna meteen er achteraan: ‘daar beneden is een leuk café, ga je mee?’ En dat deed ik. Ik doe geen poging te verklaren waarom ik zomaar met ‘een vreemde man meeging’ want ik snap het zelf niet.
Het was volle maan, uiteraard.
Deze bescheen een aflopende boulevard die uitmondde in een stenen wenteltrap die mijn begeleider afdaalde in een tempo dat me eraan deed twijfelen of hij nog wist dat ik er was. Ik volgde hem en betrad de eerste treden. Ik kan onmogelijk zeggen wat me het meest overweldigde: het oorverdovende gebulder of de glanzend witte schuimkoppen van de branding van de aanstormende Atlantische Oceaan. Waarschijnlijk was het de combinatie van beide die me de adem benam.
Beneden stond mijn nieuwe vriend. ‘Hier’ zei hij ‘o Fresco, het leukste café van het dorp’.
Hoe was het daarbinnen, hebben we een biertje gedronken, hebben we gepraat? Ik herinner me alleen dat hij vroeg of ik de volgende dag bij hem kwam eten, hij zou me opwachten bij café Rita, om half acht.
Gedreven door een speciaal soort nieuwsgierigheid wachtte ik de volgende avond op het terras van café Rita, in het hoekje waar de laagstaande zon nog wat warmte gaf. Precies op tijd schoot de man met de slordige blonde haardos het tweede steegje van rechts uit en gebaarde dat ik mee moest komen. Alsof het hier om een geheime missie ging. Natuurlijk had ik argwaan, dit kon geen zuivere koffie zijn, en wie ging er nou mee met een vreemde snuiter, in een vreemd dorp in een vreemd land. Maar ik stak gewoon het pleintje over, sloeg het tweede steegje in en liep achter hem aan. Hij ging het allerlaatste huisje binnen (ao fundo, daar achteraan) en liet de deur voor mij open.
Ik zag een piepkleine ruimte waarvan moeilijk te zeggen was of het een hal, een kamer of een keuken was. Een hal viel trouwens meteen af, want op een tafeltje tegen de muur stonden twee borden met een vork erop naast een derde bord met slablaadjes met uienringen en een half brood en hij wees me te gaan zitten op een van de twee houten stoelen die erbij stonden.
Naast een tweepits gasstel stond een derde bord met twee dikke koteletten erop. Hij prikte een vork in de eerste kotelet, draaide de gaskraan open en hield er een lucifer bij. In de vlam van die pit draaide en keerde hij de kotelet. Het vet dat er knetterend uitdroop voegde zich bij een zwarte korst die over het hele apparaat was vastgekoekt. Met stomheid geslagen zat ik daar. We hadden trouwens nog geen enkel woord gewisseld.
‘Kan ik helpen?’ vroeg ik tenslotte. ‘Nee hoor, het is al klaar en hij mikte de geurige lap vlees op het bord dat het dichtst bij me stond. Smakelijk eten. In een mum van tijd was ook de tweede kotelet ‘gegrilld’ en hij kwam bij me zitten.
Gebiologeerd keek ik toe hoe die gebruinde knuisten een dikke plak brood afsneden en naast mijn bord legden. Ik wilde ze pakken, die toegewijde handen en de man die eraan vast zat naar me toe trekken. Deze man echter veegde zijn handen af aan zijn broek, ging op zijn stoel zitten en keek me eindelijk aan. Zijn bruine kijkers, de intensiteit van dat kijken, het lichte lachje rond zijn lippen.
Zoals dat altijd gaat, die eerste keer, -of gebeurt dat verder alleen in romantische films?-, we bogen naar elkaar toe en begonnen elkaar te kussen. Niet aftastend, niet voorzichtig, nee, de vlam sloeg vol in de pan en we deden wat we konden om het gedekte tafeltje te overbruggen.
De koteletten zijn niet meer gegeten die avond, noch de sla, noch het brood. Misschien dronken we een flesje bier? Ik weet bijna zeker dat we al snel verdwenen in het vochtige sousterrain, in zijn groezelige bed, maar het kan ook de volgende dag geweest zijn. Of de dag erna.
De weken die volgden waren een rollercoaster van intense ervaringen. Een man die de ene dag zijn armen spreidde in een onvoorwaardelijk welkom en me meevoerde in een erotisch universum waar ik tot dan toe geen weet van had. De dag erop had hij een gezicht als een oorwurm en keurde hij me geen blik waardig. Als ik het waagde niet meteen rechtsomkeer te maken snauwde hij me zijn huis uit, de straat uit, het dorp of (naar mijn gevoel) het hele land uit.
Na al die jaren verbaast me mijn eigen standvastigheid. Ik liet hem met rust, die dag en nog een paar dagen maar steeds weer kwam dat moment dat hij zijn armen spreidde en ik thuis kwam.
Het werd een relatie die enkele jaren heeft geduurd. Ik reisde regelmatig op en neer, naar Nederland, waar ik in een afkeuringsprocedure van mijn werk zat. En waar mijn kinderen woonden. Ik liet bandjes achter, met zijn en mijn lievelingsmuziek en stuurde hem ansichtkaarten. En ik fantaseerde. Was er een manier om bij hem te zijn, bij hem te blijven?
Hij was verslaafd aan spul dat hij met hand- en spandiensten aan alle kanten bij elkaar sprokkelde en ik maakte me zorgen. Maar ik deed niet met hem mee, d.w.z. ik rookte noch slikte zijn spul. Wel lag ik gelukzalig in zijn armen, in de extatische rust van zijn trip.
Er was die nacht dat ik sliep in zijn armen, terwijl hij naar me keek. Telkens als ik mijn ogen opende, was hij er nog en keek. Glimlachte hij me geruststellend toe? Misschien heb ik dat erbij gefantaseerd. Hij had de oortjes van zijn radio in en rookte ‘spul’. Was het hasj, was het heroïne, ik ben er niet achter gekomen en heb me er nauwelijks in verdiept. Het was goed zoals het was.
‘Je bent te laat gekomen’ zei hij op een keer, ‘ik ben al verloren’. En nog wat later: ‘neem Manuel maar, daar heb je tenminste wat aan’.
Het was verdrietig, het was tragisch, het was prachtig, het was liefde.

In memoriam – Manuel

Er was eens een straatarme man.
Hij woonde met zijn moeder in een vervallen schuur in het schilderachtige dorp waar hij 45 jaar geleden geboren was, pal aan de Portugese kust. In zijn oren ruiste, bruiste en bonkte onophoudelijk de zee.
Zijn bijna zwarte ogen stonden onder ruige grijzende krullen in een bruin-verweerd, regelmatig gezicht. In zijn fraai gevormde mond waren enkele tanden tot zwarte stompjes afgebrokkeld. Hij schoor zich net iets te vaak om van een baard te kunnen spreken.
Zijn vader was kortgeleden, na een leven waarin de meest opzienbarende feiten waren het mishandelen van vrouw en kinderen, kreunend van pijn en kwaadaardigheid aan zijn einde gekomen.
Zijn moeder was een zwakke vrouw, die in plaats van opgelucht te zijn, doorging met zichzelf beklagen, zij het nu op de meewarige toon van een verse weduwe.
Twee weken keek haar zoon naar haar met bezorgde ogen, maar vervolgens weigerde hij als vanouds de klusjes die ze van hem verlangde: water halen bij de bron en brandhout regelen voor het vuur waaraan zij zich winter en zomer verwarmde.
Hij betrad de hut vrijwel uitsluitend om tot ver in de dag zijn roes uit te slapen of de maaltijd te verorberen die zijn moeder onder jammerende protesten voor hem kookte van haar armoedige ouderdomspensioentje en van de liefdadigheid van haar buren. Hij was nooit getrouwd geweest en werkte niet, tenzij er direct een drankcentje of een pakje sigaretten aan vast zat. Liefst ook een maaltijd, zodat hij zijn moeder niet onder ogen hoefde te komen. Verder slenterde hij van het ene café naar het andere, inspecteerde talloze malen per dag de zee en knoopte hier en daar een praatje aan. Voor de grote hoeveelheden drank en sigaretten die hij tot zich nam, teerde hij op de zak van de toeristen die zijn fraaie dorp als vakantieplaats hadden uitverkoren.
Vrienden had hij niet, of het moesten die rijkgeworden voormalige schoolmakkers zijn, die als dokter cq als restauranthouder teruggekeerd naar hun geboortedorp, hem karweitjes lieten opknappen voor een habbekrats.
Deze man liet zijn oog vallen op mij.
Ik had als buitenlandse op 50-jarige leeftijd rust gevonden en een thuisgevoel, in zijn geboortedorp. Hij bood mij zijn liefde die ik versmaadde. Hij zocht en kocht mijn gezelschap met het aanbieden van zijn diensten. Hij bleek verbazend handig. Timmeren, schilderen, koken op houtvuur, vissen, alles waar je je handen voor nodig hebt, ging hem verbazend goed af. Van niets maakte hij iets. Wat ten onrechte los zat aan mijn eenvoudige onderkomen, auto of fiets maakte hij vakkundig vast, en omgekeerd.
Van simpele ingrediënten kookte hij een heerlijke maaltijd. Hij luisterde geduldig naar mijn onbeholpen Portugees dat allengs verbeterde. Hij onthulde de familieverhoudingen binnen het dorp en vertelde de laatste nieuwtjes.
We struinden de omgeving af, keerden terug naar huis met zeevruchten, visjes, wilde spinazie of paddestoelen, kookten, aten en dronken, knapten (mijn) karweitjes op en lachten.
We werden vrienden.
De ‘liefde’ bleef een heikel punt, evenals alcohol, geld, mijn vrijgevochtenheid en zijn vermogen om de waarheid naar zijn hand te zetten. Maar hij was nog nooit zo gelukkig geweest en ik meer dan ooit mezelf.
Toen werd hij ziek. Steeds vaker greep hij plotseling naar zijn maag, zonderde zich af om over te geven en deed vervolgens kregelige pogingen mijn bezorgheid weg te redeneren.
‘Je moet naar de dokter.’
‘Zeur niet, ik heb te veel, te weinig, te vlug, te warm, te koud, te vroeg, te laat, verkeerd gegeten, gedronken.’ Hij vermagerde, hij verzwakte.
Ik klopte in paniek aan bij zijn oude schoolmakkers: de dokter, de restauranthouder. Eindelijk slaagde de tweede erin hem aan te dienen bij de eerste.
Deze stuurde hem door naar een dorp verderop voor bloedonderzoek, dat twee weken later plaatsvond. Wij wachtten drie weken op de uitslag. Hij moest dringend naar het ziekenhuis voor een inwendig maagonderzoek.
Eindelijk mocht ik iets voor hem doen: hij vroeg of ik met hem mee ging. Het ziekenhuis lag 130 km het land in, voor hem een wereldreis. Ze namen hem terstond op. De verpleegkundige overhandigde me een pastic tas met zijn kleren en zijn schoenen en stuurde me naar huis. Hij klampte zich aan mij vast als een kind op zijn eerste schooldag.
Na een ellendige week in het tochtige ziekenhuis, waar bezoek slechts mondjesmaat werd toegelaten, werd hij geopereerd.
Twee dagen later strompelde hij, met een batterij slangen achter zich aan, naar de rookkamer. Ik schuifelde met hem mee.
‘Wat zegt de dokter?’
‘Niets’.
‘Heb je gevraagd wat zij gedaan heeft?’
‘Nee’.
‘Zal ik met haar gaan praten?’
‘Doe wat je niet laten kunt…’
‘Bent u zijn vrouw?’ vroeg de dokter en ik knikte.
‘Welnu, er zit een knots van een tumor, die de uitgang van de maag naar de dunne darm verstopte. We hebben een openingetje gemaakt, zodat uw man misschien nog een poosje normaal kan eten.’
‘Misschien?’
‘Laten we hopen dat hij nog even opknapt, ja.’
Op de ochtend van de vijfde dag na de operatie zat hij aangekleed op mij te wachten, in zijn bed lag al een andere patient. We gingen naar huis met gemengde en verdeelde gevoelens. Hij keerde vol pijn en hoop voor de toekomst terug naar zijn dorp. Ik was geschokt en vastbesloten hem gedurende de laatste fase van zijn leven bij te staan.
De dorpsbewoners trachtten hun verbijstering te verbergen bij het zien van zijn uitgeteerde gestalte. Tien minuten na aankomst zat hij op het vaste plekje in zijn stamcafé.
Ook na de operatie had hij nog niet gegeten. Zijn moeder, zijn tante, een buurvrouw en de vrouwen van de caféhouders trachtten hem aan het eten te krijgen. Hij kwam niet verder dan een beetje thee, melk, wat soep. Steeds vaker en langer bracht hij door in bed. Ik zat bij hem en wachtte vergeefs op een gunstig moment om met hem ‘te praten’. Vastberaden voorkwam hij elk gesprek dat verder ging dan zijn wond, zijn opgezette voeten, de pijn in zijn botten, de pillen, de injecties.
Geduld moesten we hebben, spoedig zou hij weer gaan eten, drinken, wandelen, fietsen, vissen, koken, knutselen.
Een maand lang hield hij dit vol, toen stierf hij zoals hij geleefd had: hij keerde zijn gezicht naar de muur en ademde niet meer.

‘Ao monte’

‘Rua rua’ schreeuwde Zé Pedro en uit zijn gebaren maakte ik op dat hij mij op straat zette. Ik had zojuist geweigerd zijn boterham te smeren, omdat hij dat immers best zelf kon doen. Oké, zijn been zat in het gips en hij lag nu eens niet vrijwillig maar noodgedwongen op zijn bed, maar met zijn handen was niets mis. Hij gaf te kennen dat hij honger had en ik haalde brood te voorschijn, een pakje boter, zijn lievelingsworst en zijn lievelingskaas. Een mes erbij en asjeblieft. ‘Wil je ook wat drinken?” Ziedend keek hij me aan en draaide zijn gezicht naar de muur. Zijn hand gebaarde, weg met die troep, ik wil een boterham.
‘Nee’.
‘Rua, rua!’, dus.
Enigszins bedrukt stapte ik aan de overkant van de straat het café van Natércia binnen en klaagde mijn nood.
‘Waarom ga je niet naar de monte?’ zei zij en toen ik niet begrijpend rondkeek, verklaarde men dat Natércia een landgoed bezat, gelegen aan de zeeweg, een paar honderd meter buiten het dorp. ‘Ze zegt dat je daar mag gaan staan met je busje’, lichtte men toe.
Oh. Echt?
‘Ik breng je wel even, waar staat je busje?’ Dat was Manuel, zoals altijd in voor een klusje.
Een kwartiertje later reden we vanaf de zeeweg een zandpad in. ‘Proibida a entrada’ was nog nauwelijks leesbaar op een verregend plankje dat scheef hing op een verroeste paal. Landgoed… hm.
We reden door een haag van arcacia’s en verderop staken de hoge toppen van oude pijnbomen af tegen de strakblauwe lucht.
Rechts schemerde een wit gebouwtje door het groen: ‘dat is het huis van Natércia’ wees Manuel en ‘nee ze woont er niet, ze woont boven het café. Dit is het ouderlijk huis van Henrique, haar man. Chica, haar schoonmoeder dus, woont er nog, maar niet in dit huis. Kijk daar achter, daar woont ze’. Dit althans moet hij gezegd hebben, want ik luisterde slechts met een half oor, een oor bovendien dat nog nauwelijks Portugees verstond. Zijn wijsvinger ondertussen kon ik volgen en temidden van een zongeblakerd veld stond een langwerpig, laag gebouw: ‘de monte’ zei Manuel.
Oké. Later zou ik opzoeken wat ‘monte’ precies betekent, nu had ik andere zorgen.
Daarginds, aan de rand van het bos, is daar misschien een plekje voor mijn bus? Stapvoets volgden we het zandpad en ik gluurde om me heen. ‘Hier’ zei Manuel en hij gooide de deur al open. Als je nou zó en dan zó, je busje draaien en achteruit erin steken, gebaarde hij en gehoorzaam deed ik wat hij zei. Het resultaat was verbluffend: met het bos in de rug en een dennentak vol enorme dennenappels boven me, keek ik uit op ‘de monte’, zo’n honderd meter verderop. In de verte klonk de zee.

Mijn plekje ‘no pinhal’

Manuel was al aan het regelen geslagen: met zijn voeten veegde hij de grond vóór de schuifdeur van mijn bus schoon en schoof de verzamelde takken en dennenappels bij elkaar. Een tafel, beeldde hij uit, je hebt een tafel nodig en … wacht. Weg was hij en in een wip kwam hij terug met twee plastic stoelen, waar het weer inzat en plantte die op mijn nieuwe ‘veranda’.
We gingen zitten en rookten een sigaret.

No monte

De monte (alentejano) is een langwerpig gebouw, verdeeld in huisjes die aanvankelijk bedoeld waren voor de landarbeiders, die op deze manier inwoonden bij hun werkgever.

  O monte do Brejo

Aan de monte waar ik voortaan bij zou horen, was in de loop der jaren heel wat geknutseld, maar nog altijd verdeeld in vijf compartimenten waarvan er drie bij het landgoed hoorden. Een ervan werd bewoond door de oude Chica, die daar zo nederig woonde dat het pas veel later tot me zou doordringen dat zij op dat moment de landvrouwe was. Haar woninkje van hooguit twintig m3, zonder ‘luz nem água’ verliet zij zelden en zij werd op afstand verzorgd door haar enige zoon en vooral schoondochter Natércia die ik voortdurend zag sjouwen met pannetjes eten, flessen water en armenvol andere benodigdheden.
De overige twee huisjes werden incidenteel verhuurd aan toeristen. Het vierde was in het bezit van ene tia Vitória die er na een luidruchtige conversatie met wie zij ook maar aantrof, ‘gezonde lucht’ kwam inademen, zoals ze haar komst keer op keer verklaarde. En inderdaad, de combinatie van dennengeur en zeelucht, welke lucht kan daaraan tippen?
In een rechthoekig betonnen blokje,  zo’n beetje in het midden, huisden de zestigers Maria Nácia en António, en in hun bescheiden woninkje werd ik kind aan huis.

António vulde zijn dagen deels rond de monte, waar hij met behulp van zijn ezel, die hij met glimmende oogjes ‘mijn neef’ noemde, een stukje grond bebouwde.

António met ‘neef’ ezel.

De ezel was er vooral voor de bemesting, zo heb ik begrepen. Vruchtbare bosgrond vermengd met halfvergane dennennaalden en andere plantenresten, alsmede de vermeste uitwerpselen van passerende dieren, werd in de ezelkar geschept en naar een paar honderd meter verderop vervoerd waar António een stukje grond, gelegen aan een minuscuul beekje, in bruikleen had. Daar vandaan kwamen verschillende soorten bonen en erwten, aardappels, kool, uien en de verrukkelijkste wortels die ik ooit geproefd heb. Meloenen waren er ook en pompoenen. En koriander en peterselie en griões meen ik en horteliça. Van die laatste twee ben ik nooit nagegaan hoe ze heten in het Nederlands, omdat ik ze uit Nederland niet kende.

António had aan zijn landbouw geen dagtaak, maar hij was dan ook gepensioneerd. Uit de talloze anecdotes, die hij met veel smaak opdiste na onze gemeenschappelijke maaltijden, leerde ik dat hij steenhouwer van beroep was geweest. We konden ook geen weg begaan, tot in de verre omtrek, of hij had daar ooit zijn steentje aan bijgedragen.

António neemt een bad, in gezelschap van zijn broer Manuel

Elke middag vertrok hij naar het dorp ‘a praia’ genoemd, ter onderscheiding van ‘a aldeia’, een groter formaat dorp zo’n acht km het binnenland in, waar je moest zijn voor zaken die het dagelijkse overstijgen: de bank, het tankstation, de ijzerwarenwinkel, en niet te vergeten de onvolprezen maandelijkse streekmarkt.
‘À praia’ dus ging António een kaartje leggen en een borreltje drinken met zijn makkers. Goedgemutst kuierde hij laat in de avond, oftewel diep in de nacht, langs de stikdonkere zeeweg terg naar huis.

Daar kon Maria Nácia eindelijk gaan slapen, want, zoals ze me herhaaldelijk toevertrouwde, zonder zijn aanwezigheid deed ze geen oog dicht.
Maria Nácia was vrijwel altijd in of rond het huis te vinden. Ze leidde een leven van koken en wassen, en geloof me dat is vlugger gezegd dan gedaan.

Maria Nácia zoekt bonen uit

Denk even aan alle stappen die er nodig zijn om zelfgeteelde witte of bruine bonen op je bord te krijgen en stel je ook even voor dat elk kledingstuk gewassen moest worden met water dat handmatig uit de put werd opgehesen.

De onvolprezen waterput

Emmers vol water sleepte Maria Nácia naar ‘o tanque’ waar ze urenlang vertoefde.

Maria Nácia doet de was

Ze zat nooit om een klusje verlegen en als zich niets dringends aandiende, verzon ze wel wat.

De matras wordt grondig gereinigd

De matras wordt grondig gereinigd

Op een dag trof ik haar aan, graaiend in berg schuimrubbersnippers. Het bleek de inhoud van haar matras te zijn die ze had gewassen en voor de deur te drogen gelegd.
Maria Nácia had ook haar rustmomentjes, bijvoorbeeld als ze bezoek had. Dan koos ze een plekje in de schaduw en ging daar lekker zitten zitten.

Maria Nácia heeft bezoek van Maria Rosa, haar schoonzus

Waar António zijn landbouw had, deed Maria Nácia aan veeteelt, zou je kunnen zeggen. Eenmaal daags stapte ze met een emmer aardappelschillen en overige etensresten naar het varkenskot, dat lag verborgen in de struiken. Daar groeide een schattig biggetje uit tot een enorm varken dat in november met de energieke hulp van familie en kennissen werd geslacht.

De Varkensslacht

‘Bèta, Bèta’, schalt het door het ochtendbos en dat kan maar één ding betekenen: Chico en Mariazinha zijn gearriveerd! Ze moeten midden in de nacht vertrokken zijn, want het is toch minstens twee uur rijden vanuit Portimão. Ik steek mijn neus naar buiten en ze zijn al halverwege het pad. ‘Kom eruit, dorminhoca’, schreeuwt Chico.’ Het varken wordt geslacht!’ Och die Chico. ‘Hij is doof’ vergoelijkt Maria Nácia, zijn schoonmoeder, steeds wanneer hij bij haar de tent bij elkaar komt schreeuwen. En nu dus het hele bos. ‘Ja ja, ik kom eraan’ probeer ik ze te stoppen maar vergeefs, ze zitten al op de rand van mijn bus en gluren naar binnen. ‘Best groot hier’ zegt Mariazinha en Chico kietelt onder mijn voeten. Er is geen ontkomen aan, dus schiet ik een trainingspak aan en ga met ze mee naar de monte.
Het is nog geen acht uur en al een drukte van belang in het huis van António en Maria Nácia. Broer Manuel, zussen Chica, Graciete en Lisete, zoon Felipe en dochter Mariazinha met haar Chico dus, neef Manuel en hé daar is Luís die ik ken als de grafdelver van het dorp. Hij is bedreven in het snel doden van een varken, zo wordt zijn aanwezigheid toegelicht.
Hapjes staan uitgestald op de tafel die voor de gelegenheid is verlengd met de tafel die meestal buiten staat. Stukjes vis zijn het, en ik vraag me af of dit is uit piëteit met het varken dat er zo dadelijk aan moet gaan geloven. Een glaasje medronho als hartversterking en daar tuigen de mannen richting varkenskot. Ik vind het doodeng, maar nieuwsgierig ben ik ook.
Er is al flink gesjouwd met emmers water en het wordt mijn taak nog meer water aan te slepen, hetgeen me de kans biedt enige afstand te houden van wat zo dadelijk een slagveld zal worden. Op het moment dat ik Luís het mes zie heffen boven het gillende varken, zoek ik beschutting achter een boom en pas als het gegil verstomt, kom ik tevoorschijn.

Het bloed wordt opgevangen door de vrouw des huizes

Ik zie nog net hoe Maria Nácia half onder de slachttafel hangt om in een grote teil het bloed op te vangen.
Met een gasbrander wordt de huid schoon gebrand en ruimschoots met water overgoten. Vervolgens kan het varken worden geopend. Ik krijg een nieuwe taak toebedeeld: ‘hier, goed vasthouden en een beetje naar buiten trekken’ zegt Chico en met een van de achterpoten tegen mijn buik, verbaas ik me over de frisse geur die opstijgt uit het beest, dat Ik vanaf nu geen varken meer mag noemen. ‘Beest’ mag vast ook niet meer, maar wat dan wel? ‘Vlees’ lijkt me op dit moment nog wat voorbarig.

Er wordt die dag, en ook de dag erop, hard gewerkt en veel en uitbundig gelachen.
De samenwerking loopt gesmeerd, dat hebben deze mensen váker gedaan!

De darmen schoonmaken, een zorgvuldig werkje!


En ze weten van wanten, al is daar dat conflict over een lapje vlees dat steeds van plaats wisselt: António legt het op de plank waar het zal worden klein gesneden voor de worst, terwijl zijn oudste zus Chica er een varkenshaasje in ziet. Dus steeds als een van hun beiden langskomt, verandert het lapje van plaats.
En passant worden al stukjes varken geserveerd (piques, picos, picas?) en tussen de middag zitten we rond een enorme pan balkenbrei (maar dan anders en bovendien geel) waaruit ieder met zijn eigen lepel kleine voorzichtige hapjes van de kant schraapt. ‘Quente!’ immers. Uiteraard wordt dit alles vergezeld van het onvolprezen plaatselijke brood en rijkelijk overgoten met wijn en bier.

Epiloog van de varkensslacht: de worsten worden gemaakt.

Na een week worden de worsten gemaakt: linguiça. Het door vaardige handen kleingesneden vlees is dan genoeg doortrokken van kruiden en knoflook om met twee duimen in de darmen te worden geduwd, een kunst op zich!

 

De worsten worden gerookt boven een speciaal daartoe onderhouden vuur.

Vervolgens worden ze een week of twee te roken gehangen boven een speciaal daartoe onderhouden vuur.

Voor wie zich nader wil verdiepen in deze materie, op internet zag ik een video ‘Tradicional Matança do Porco’, die aardig de gang van zaken weergeeft. Met dit verschil dat ‘mijn varkensslacht’ de familie vlees opleverde voor een heel jaar, terwijl op de video het varken stante pede feestelijk wordt verorberd  door het hele dorp. Met bal na, heerlijk toch!

60 anos

In de winter van 2003 vier ik mijn verjaardag op zijn Portugees.
Vriend Canelas, de zeevisser, neemt de zorg op zich voor ‘uma caldeirada de peixe’ waarvoor hij de dagen vóór het feest dagelijks wat geschikte vis uit zijn dagvangst opzij legt.

Koken op een vuurtje in de buitenlucht is voor Canelas geen probleem

De uitverkoren vis legt hij zonder omhaal in een van zijn beide vrieskisten, zonder zich te bekommeren om enige verpakking. Uit zijn andere vrieskist vist hij (sic) op de grote dag een zak tomaten op en enkele paprika”s, die hij nog over heeft van zijn oogst van de afgelopen zomer. Nog wat uien, knoflook, olijfolie, en wie maakt ons wat. Nee, natuurlijk vergeten we de wijn niet en ook voor brood van Augusto, de plaatselijke bakker, wordt gezorgd. En voor ná natuurlijk de traditiële verjaardagstaart, die halverwege het feest zal worden bezorgd door amateur-taartenbakker Graça. Voor de bestelling hoef ik alleen maar haar rode bestelautootje staande te houden dat met regelmaat over de zeeweg tuft.

Ik nodig mijn Portugese buren en vrienden uit en mijn beide dochters komen voor de gelegenheid over uit Nederland. Het feest zal plaatsvinden in huisje 2 van de monte, dat ik voor enkele dagen weet te huren. Met een beetje passen en meten kunnen we daar wel een lange tafel kwijt waar we met ons vijfentwintigen aan kunnen.

Het wordt een geweldig feest. Prinsheerlijk troon ik aan het hoofd van de tafel, geflankeerd door dochterslief en van daaruit kan ik al mijn vrienden zien smullen van de onvolprezen caldeirada. Als de eerste opschep zo’n beetje is verorberd, heft iemand ergens in het midden van de tafel een lied aan en alsof het is afgesproken neemt een ander het over en nog iemand en nog iemand. Ireen, Birgit en ik vinden dat we niet kunnen achterblijven en na een kort overleg zingen we uit volle borst: ‘ik ben zo blij dat ik een stukje van de wereld ben’ en daar was wat mij betreft geen woord van gelogen.
Canelas, chef-kok van dienst, pakt de pollepel weer op uit de enorme pan en bord na bord wordt hem aangereikt voor een tweede portie. ‘Alleen nog wat aardappeltjes met saus’, zegt Maria Nácia en ze pakt er nog een snee brood bij om lekker te soppen’. ‘Nou, geef mij maar een stukje sargo’, vindt tio Manuel, die ook vandaag feilloos de krenten uit de pap pikt.
De ene na de andere wijnfles wordt ontkurkt en de stemming is opperbest.
Na de taart met ‘parabéns a vocé’ zet Chico, de schoonzoon van de buurtjes, zijn auto op het gras voor de deur en daaruit klinkt de ene na de andere Portugeestalige hit, zo in de trant van ‘pak me stevig vast’, ‘laat me nooit meer los’ en iets over ‘beestjes die lelijk kunnen jeuken’, En zo wordt mijn 60ste verjaardag een feestelijk almoço met bal na.

Spontaan maken we een dansje vóór de deur van de monte

Maria Nácia laat zich graag tot een dansje verleiden

Tegen vieren treedt de schemering in en de gasten verdwijnen de een na de ander, uitgewuifd door ons drietjes.
Binnen wacht een aardige ravage en een flinke afwas maar wat doen wij? Alsof het is afgesproken, strekken we ons uit op het tweepersoonsbed dat voor de gelegenheid in de hoek is geschoven.

Uren later worden we wakker, inmiddels diep onder de dekens weggekropen. Het is stikdonker in de monte en koud is het ook. Aanvankelijk verbaasd en al gauw grinnikend kruipen we uit ons warme holletje en brengen met vereende krachten het huisje terug in de oude staat.

6 Reacties

  1. Els

    Wat een mooie spannende avontuurlijke lekker-lees verhalen! Komt er meer? Ik ben benieuwd naar de rest!
    Je schrijft makkelijk en leuk! Ik genoot en wil meer….
    Kom eens langs, zo gauw het kan! Welkom in Mendeira!

    Antwoord
    • Ellen

      Sorry Els, dat ik nu pas reageer. Ik was en ben blij met jouw compliment en zeker ook met je uitnodiging! Ik googelde even en las dat je een prominente inwoner van Mendeira bent, samen met slechts 19 anderen. In centraal Portugal hè?
      Als ik in de buurt kom, wip ik graag even binnen.
      Tot ziens dus!

      Antwoord
  2. Hanneke Rijkelijkhuizen

    Ik ben het helemaal met Els eens! Heel leuk geschreven en ik ben ook erg benieuwd naar het vervolg. Je verhaal in Portugal Portal was ook fascinerend. Je bent ook bij ons welkom in Pedrógao Pequeno!

    Antwoord
    • Ellen

      Ook bij jou wil ik me verontschuldigen voor mijn late reactie. Ik was nog wel zo blij met je feedback en je aansporing!
      Pedrógão Pequeno heb ik vorig jaar ‘aangedaan’, in de regen en ik heb er alleen maar even een broodje gegeten. Hoewel, dat was, denk ik, in Pedrógão Grande, in een benzinestationcafé nota bene. Een volgende keer ga ik naar je op zoek en vraag ik advies over een plek voor o almoço…

      Antwoord
  3. Peggy

    Ik hang aan je lippen,
    Wat omschrijf je dit alles mooi…..

    Antwoord
    • Ellen

      😉

      Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *