mei-dec 2019 Portugal

Op pad

Begin mei 2019 vertrek ik voor de zoveelste keer naar Portugal, met mijn busje – de hoeveelste keer zal dit zijn, twintig, dertig?- maar deze keer neem ik de vraag mee: hoe gaat het nu met Portugal
In de 30 jaar dat ik Portugal ken, heb ik grote veranderingen zien plaatsvinden. Ik heb nog een zweem opgevangen van het slaperige Portugal van vóór de EU, met haar zandwegen en krottenwijken en ongerepte natuur, waarvan ik vooral de kuststreek heb leren kennen. Zoals het voor mij Brabant is in Nederland werd het Alentejo in Portugal. Ik zag een parallel: een zich van oost tot west uitstrekkende provincie, de op een na de zuidelijkste van het land en doelwit van goedmoedige doch denigrerende grappen.
Tussen 1990 en 2007 heb ik gewoond in Zambujeira do Mar, een dorp op een klip aan de westkust en daar heb ik samen met de bewoners van het dorp grote veranderingen meegemaakt. De allergrootste was ongetwijfeld de stapsgewijze aansluiting van het platteland op het elektriciteitsnet.
Op een dag kwam de EDP voorrijden en een eerste kabeltje werd doorgetrokken vanaf de kustweg naar ‘onze’ waterput. Voortaan kon de eigenaar van het landgoed waar ik verbleef het putwater via een tuinslang naar zijn huis pompen. Stiekempjes, zo leek het, begon hij hier en daar een kabeltje door te trekken, voor een lampje in zijn woning, en al heel gauw ook in de bescheiden onderkomens van zijn huurders die hem daarom smeekten. Lampjes werden radio’s en tv’s en aangespoord door regelmatige kortsluiting ‘hè, hoe kan dat nou?’ liet hij de capaciteit uitbreiden en zo deed een nieuw tijdperk sluipenderwijs zijn intrede.
Tussen 2008 en 2014 ben ik weinig in Portugal geweest.
Sindsdien heb ik met name in de primavera’s de draad weer opgepakt.
In ‘mijn’ dorp Zambujeira heeft de tijd bepaald niet stil gestaan en jaar in jaar uit ervaar ik pijnlijk dat ik geen inwoner meer ben, maar een toerist, die weliswaar met weemoed naar haar oude dorp kijkt.
Wat ik indertijd weinig gedaan heb, vanaf 2015 ben ik gaan rondtrekken door Portugal en gaandeweg heb ik me gehecht aan nieuwe plekjes, waarvan de top drie Cortegaça, Aldeia da Luz en Monte Gordo zijn.
De Europese Unie heeft sinds 2008 te maken gehad met heftige crises, in Griekenland, in Italië, in Spanje en deze landen zijn maandenlang onafgebroken in het nieuws geweest. Over Portugal  hoorde je, hier in Nederland, weinig of niets.
Daar is in 2015 een socialistische regering aangetreden, onder leiding van ene António Costa en deze beloofde rigoureus te breken met het door de trojka opgelegde bezuinigingsbeleid. De term ‘trojka’ kwam ik alsmaar tegen, tijdens mijn lentetochtjes door Portugal, zowel in de pers als uit de mond van de mensen die ik ontmoette en die leken het te hebben over een exotisch wild beest dat de Portugezen bedreigde. In werkelijkheid staat het voor een samenwerkingsverband dat in 2010 werd ingesteld tijdens de Europese staatsschuldencrisis, bestaande uit de Europese Unie, de Europese Centrale Bank en het Internationale Monetaire Fonds en het moest toezicht houden op de verstrekte kredieten aan noodlijdende Europese lidstaten. Tegenstanders van Costa beweren dat de linkse regering op slinkse wijze tot stand is gekomen terwijl voorstanders glunderend vertellen dat het de eerste slimme truc van Costa was, waarmee hij de na 10 dagen mislukte rechtse formatiepoging te slim was afgeweest.
Ook las en hoorde ik regelmatig de term geringonça, woord van het jaar 2016. Letterlijk betekent het zoiets als ‘spulletje’ en het is wel vertaald met ‘bijeengeraapt zootje’. Er wordt de linkse coalitie (de SP, CPN en het BE) mee aangeduid. Intussen mag ik wel zeggen dat het een geuzennaam geworden is, zeker sedert de herverkiezing van Costa in oktober 2019.
Maar nu loop ik op de zaken vooruit.

Hieronder doe ik verslag van mijn maandenlange zowel terloopse als uitgesproken gepeins over de vraag hoe ‘gaat het nu met Portugal’. Als ik één ding geleerd heb over mezelf: vragen stellen ligt me meer dan conclusies trekken. Bevindingen, overwegingen, vergelijkingen en allerlei varianten van verbazing en bewondering, daar doe ik verslag van.
Mijn trip begint in mei en loopt tot half december. En kun je niet wachten op een antwoord, klik dan door naar hoe gaat het nu met Portugal
Misschien heb je zelfs zin om er boom over op te zetten? Ik ben benieuwd naar ieders bevindingen…

11 mei aankomst

Ik schrijf aan B.: ik zie (nog) niet hoe ik mijn verblijf in dit heerlijke land, mijn gelummel en gechil, kan verbinden aan een zinnige analyse van de stand van zaken in Portugal. Gelikte snelwegen verwelkomen me, wonderen van techniek met de talloze bruggen, niet alleen over de schilderachtige rivieren maar vele ook over lange, diepe dalen en zelfs hele dorpen en halve steden glijden onder je door.
Nostalgisch echter als ik ben ingesteld hobbel ik al snel voort over lappendekens van binnenwegen, dwars door drukke steden en uitgestorven lijkende gehuchten. Eten kopen is geen enkel probleem in de uit hun voegen barstende supermarkten. Ik hoef maar Lidl of Pingo Doce, Continente of Intermarché in te toetsen op mijn tomtom en ik word feilloos afgeleverd in zo’n koopparadijs: overvloed van alles wat je maar bedenken kunt. Maar eenmaal neergestreken op een camping ben ik meestal aangewezen op een plaatselijke minimarkt, waar de appeltjes zijn gerimpeld, de sinaasappels uitgedroogd en de vis een enkele keer bevroren maar meestal uitsluitend ingeblikt te verkrijgen is. In de plaatselijke café’s zijn de bolo’s -baksels in de categorie cakeje/appelflap- altijd vers maar de krant is van gisteren en ook nog eens van het soort dat vooral een opsomming geeft van de recente misdaden en ongelukken. De immer aanwezige tv doet dat overigens ook. Kortom, ik moet me abonneren op een wat degelijker krant, alwaar ik nog niet aan toe ben gekomen. Ik fiets rond, smul er op los en vergaap me aan de zee en vandaag koester ik me in de warmte van die soms alweer onbarmhartige zon. Ik doe spelletjes op mijn i-pad en lees de Volkskrant en NRC die verhalen vertellen uit een aangeharkt Nederland.

13 mei Ana

Gisteren zitten tafelen en praten met Ana, een levendige en geïnteresseerde vrouw van een jaar of 60. Zij is bezig aan een tweede huwelijk, woont in Porto en heeft een stacaravan op de campismo van Cortegaça, waar ik ben neergestreken op mijn plekje pal-aan-zee.

Ana raakte mij met haar verhaal over de camping, deze in erbarmelijke staat verkerende plek, waar het me jaar in jaar uit verbaast dat er nog altijd geen behoorlijk sanitair is, dat alles lekt en rammelt en uit elkaar valt. Ik denk aan mijn persoonlijke waterbeleid in Nederland en slaak een zucht. De litertjes die ik daar bespaar door zuinig door te trekken en minder te douchen vloeien hier in veelvoud de dorre grond in. Een grond overigens met hobbelige paden die elk moment kunnen overgaan in zandige kuilen of juist betonnen drempeltjes die vast ooit ergens goed voor zijn geweest. Er staan een paar honderd stacaravans met uiterst vriendelijke mensen die in de weekends druk in de weer zijn met opknappen en schoonmaken van hun eigendommen, afgewisseld met uitbundige smulpartijen. Ana dus is een van hen en ze vertelt me waar de juridische strijd om draait.
Wie is de rechtmatige eigenaar van deze camping, that’s the question. Is het de Clube dos Nortenhos, waarvan de leden afkomstig zijn uit Porto en omgeving of is het de gemeente Ovar waar Cortegaça onder valt. De Nortenhos willen de camping aanpassen en verfraaien en aldus behouden voor zichzelf en voor passanten, zoals ik. De gemeente Ovar daarentegen heeft wilde plannen en wil hier een resort van maken. Via een gerechtelijke procedure probeert Ovar de Nortenhos te verjagen met als belangrijkste argument dat ze een enorme huurachterstand hebben, die overigens nog steeds groeit. Lopende dit conflict is de vereniging van de Nortenhos op non actief gesteld en heeft een onafhankelijke instantie de opdracht gekregen de zaken waar te nemen. Deze strijd is onlangs zijn vijfde jaar in gegaan. In dat gat nu ben ik gekropen en …


ik kijk met genoegen de andere kant uit: de Atlantische oceaan.
Zolang de juridische procedure loopt, ligt vrijwel alles stil.
De voorzieningen zijn zo minimaal en armetierig dat ik vaak de enige ben op het kampeerveldje daar vlak aan. Ik heb begrepen dat in beide scenario’s de camping landinwaarts verplaatst zal worden, vanwege overstromingsgevaar. Tel je zegeningen, zeg ik dan, en pluk de dag!
Ik vroeg dus aan Ana, naast wie ik aan de lange tafel zat in het campingrestaurant: ‘Wat vind je, hoe gaat het met Portugal?’ ‘Een beetje beter’ zei ze. Ik vergat te vragen wat er volgens haar beter gaat en neem me voor dat bij de eerste de beste gelegenheid te doen. Ik kon namelijk niet wachten om de Chinezen erin te gooien, met hun nieuwe zijderoute en de Chinese investeringen in Portugese (overheids)bedrijven. Ze lachte trots en zei: de eerste zijderoute hebben wij gemaakt, wist je dat? En jawel, de huidige investeringen baren haar zorgen: we moeten er wél zelf als Portugezen van kunnen profiteren. Ze is bang dat de opbrengsten toch vooral naar China gaan. De NRC van 10 mei 2019 geeft haar deels gelijk: Portugal wordt daarin het Miami van Europa genoemd vanwege de snel groeiende vestiging van rijke ondernemers van over de hele wereld, maar vooral uit Rusland en China. Deze nieuwe rijken worden onthaald op aantrekkelijke belastingvoordelen en op de mogelijkheid een tweede, dus Portugees paspoort aan te schaffen. Zij zorgen voor werkgelegenheid en belastingafdracht, waar, zo wordt gevreesd, vooralsnog de gewone man niet van profiteert.

15 mei Pal-aan-zee

Ik ga nog even door op het fenomeen ‘plekje pal-aan-zee’. In de jaren negentig was de 560 lange westelijke kuststrook nog wat je ongerept zou kunnen noemen. Onbeschermd is waarschijnlijk correcter.


Het was een lustoord, zelfs voor gemotoriseerde zee-aanbidders zoals ik, je vond er altijd wel een plekje voor de auto, of het kampeerbusje in mijn geval, waar je ongestoord kon uitkijken over de Atlantische Oceaan en kon luisteren naar de immer wisselende maar altijd rustgevende branding.
Er zijn dagen dat de Atlantische Oceaan komt aankabbelen als een lieflijke rivier, waar zojuist een binnenvaartschip is gepasseerd. Andere dagen komt hij aangestormd als een op hol geslagen kudde wilde dieren en slaan watermassa’s te pletter tegen de rotsen.
De afgelopen decennia is er hard gewerkt aan de kust. Vrijwel overal langs de 900 km lange kust (alleen in de badplaatsen ten zuidwesten van Lissabon heb ik ze niet gezien) verschenen en verschijnen passadiços: kilometerslange wandel- en fietspaden gebouwd op houten vlonders die de gang naar en deels ook over de stranden reguleren. Er moeten vele duizenden bomen zijn omgehakt voor de talloze paaltjes, verbonden door overal hetzelfde groene koord, en even zovele planken. Ik heb horen klagen dat er inferieur hout gebruikt is, voor de plankiers met name en inderdaad, hier en daar zijn bruggetjes al afgesloten en elders moet je oppassen niet te struikelen over onverwachte gaten, waar al een plank is weggerot. Voor de auto’s en campers zijn er vaak enorme parkeerplaatsen gekomen,  op nog amper hoorafstand van de branding. Het is verbazingwekkend hoezeer de stranden en duinen van al die kustplaatsen en -plaatsjes op elkaar zijn gaan lijken. Daar moet wel Europees beleid (en geld?) achter zitten.

17 mei De supermarkt

Er is nog maar weinig verschil tussen (het assortiment in) de Portugese supermarkt en die in Nederland. Wat me echter steeds weer verrast is de berg overheerlijke bananen uit Madeira. (Of zeg je ‘van Madeira’, een eiland immers.) Ze zijn stevig, compact, intens van smaak en wat ook prettig is meestal kleiner van formaat dan de Chiquita’s die ze ook verkopen. Maar waaraan je een Portugese supermarkt ogenblikkelijk herkent is de visafdeling! Deze maakt standaard deel uit van elke grote supermarkt en zo kun je tegenwoordig in vrijwel geheel Portugal dagelijks verse vis eten.
Wat is er toch met Nederland aan de hand, vraag ik me steeds weer af. Waarom krijgen we daar vrijwel elke vis gefileerd op ons bord? Zijn we overmatig bang voor graten in onze keel? Of staat het ons tegen vanaf ons bord te worden aangestaard door een ongeschonden vissenoog?
Een vette zeebaars, slechts ontdaan van zijn ingewanden, zien nagloeien van de houtskool, op je bord.

Elke rechtgeaarde Portugees verschalkt dit visje zonder noemenswaardig restant achter te laten. Op de rand van zijn bord ligt uiteindelijk een smal, ik zou haast zeggen bundeltje, graten en een schoongesmulde vissenschedel. Vissenwangetjes, het laatste hapje, verlaten met tegenzin de mondholte, zo stel ik me voor. Want zelfs na al die jaren, laat ik het ontleden en uitzuigen van de vissenkop over aan mijn disgenoten. Eenmaal Nederlands, altijd Nederlands… Hoe Nederlands is het trouwens dat ik me altijd weer schaam voor de chaos die ik achterlaat na het oppeuzelen van een visje? Graten, half afgekloven, vellen, afgerukte kop en dito staart. Ik observeer dan benepen de reactie van met name de ober die mijn bord komt weghalen. Maar nee, ik heb er nog nooit een betrapt op een misprijzend, noch een geamuseerd lachje.
Waar blijft trouwens al die vis die toch ook door Nederlandse vissers dagelijks gevangen wordt? Oké, we hebben de haring, voornamelijk in onze kustplaatsen, en tegenwoordig ook, netjes verpakt, in de supermarkt. Oh die Hollandse Nieuwe, ik heb wel eens geprobeerd mijn Portugese vrienden te vertellen over deze lekkernij. Watertandend, glunderend keek ik ze daarbij aan, slechts een beleefd lachje was mijn deel. Rauw? Nee, daar konden ze zich met de beste wil van de wereld niets bij voorstellen. Wordt de overige vis, die onze vissersvloot vangt, ogenblikkelijk gefileerd, gezouten, ingeblikt en… uitgevoerd? Of zijn er aan de kust geheime restaurantjes waar insiders zich tegoed doen aan de vis van de dag?
En zo heb ik dus ongemerkt de supermarkt verlaten en ben ‘een visje gaan eten’. Dat moet wél rond het middaguur want dan zit heel Portugal aan ‘o almoço’. Tenzij je je bevindt in een toeristenoord, daar kun je ook ‘s avonds, liefst rond een uur of acht, terecht voor elke gewenste warme maaltijd.

18 mei Fietsen in Portugal

Ik heb vandaag een man geslagen. Het was niet de bedoeling maar echt spijt heb ik niet. Dat ging zo.
Ik fietste rond, afgewisseld met eten mijn meest geliefde bezigheid in Portugal. Praia de Esmoriz, Esmoriz aan zee, zouden wij zeggen, is door de spoorlijn van Porto naar Aveiro gescheiden van Esmoriz zelf. Over die spoorlijn loopt een hoge, redelijk steile brug, die beide stadsdelen met elkaar verbindt. Aan de ene kant van de weg ligt zowaar een roze fietspad, aangeduid met een fraai getekende fiets op het wegdek. Dit pad ligt netjes tussen de rijbaan en een stoep voor de wandelaars. Er tegenop fietsen, zelfs in de hoogste versnelling, lukt ternauwernood maar hoe heerlijk is de afdaling! Remmen los, zou je zeggen, maar pas op, ik ben niet in Nederland waar de fietser niet alleen alomtegenwoordig is in het straatbeeld, maar ook in onze waakzaamheid, in de hoekjes van onze ogen. Zo niet hier in Portugal. Mijn fietsbel klingelt waf af, waar ik ook rijd, fietspad of niet, en het is amusant om te zien hoe de Portugese voetganger hevig geschrokken opzij vliegt, zijn kinderen bij elkaar harkt, zich verontschuldigt en zich als het ware vastklemt aan de rand van het pad.
Terug naar de brug over het spoor. Ik rolde heerlijk de helling af, misschien iets harder dan verantwoord, maar oh die frisse wind in mijn haar…. Een flink eind voor me liep een man te joggen op het fietspad. Op zich begrijpelijk want beton loopt heel wat prettiger dan de kleine steentjes waarmee de stoep is geplaveid. Ik belde, ik klingelde, ik riep en ik belde nog eens maar de man week geen duimbreed. Ik remde net op tijd af, ik wrong me langs hem heen, ik wilde hem met de rug van mijn hand beletten naar links te komen, maar die hand kwam kletsend terecht op zijn borst. Op die borst bengelden twee draden die naar twee oormicrofoontjes liepen. ‘Minha senhora’, riep de man, wat een keurige ontboezeming, ik had in een flits gerekend op hoer of trut of iets dergelijks maar nee hij riep: ‘maar mevrouw, wat doet u nu?’ Deze laffe mevrouw intussen gaf geen kik en spurte er vandoor, zo snel mogelijk bij die man vandaan. Ik had hem beter even het verschijnsel ‘fietspad’ kunnen uitleggen…
Wanneer men in Portugal begonnen is fietspaden aan te leggen weet ik niet. In mijn ogen is het een betrekkelijk nieuw verschijnsel, en in de verste verte niet algemeen verspreid. Aan de kust van Alentejo, waar ik in de jaren ‘90 rondfietste, heb ik nooit ook maar één fietspad gezien. Tegenwoordig liggen ze op de meest onverwachte plekken. Rijdend op de rijbaan, alwaar menig auto rakelings langs me heen raast, zie ik dan opeens dat rechts van mij een fietspad ligt. Maar hoe daar te geraken? Het pad ligt standaard op een met onbarmhartig beton afgezoomde verhoging van zo’n 15 cm en daar kom je niet zomaar op, zelfs niet met de fiets aan de hand. Het kan vele tientallen meters duren voordat er een oprit verschijnt en dankbaar maak ik daar dan gebruik van. Maar waakzaamheid blijft geboden. Het is me al verschillende keren overkomen dat het fietspad plotseling ophield, zomaar, zonder afrit en dan sta je wel even gek te kijken. In een flits moet je beslissen vol op de remmen te gaan staan of met een flinke smak terug de rijbaan op te springen. Tekentafelfietspaden, merkte vriendin B op.
In Mirandela belandde ik op zo’n hoog, breed, roze fietspad, ver buiten het stadsgewoel, langs een bijna verlaten weg. Het dek van het pad was hobbelig, stroef, vol aangekoekte bladeren en ander vuil en werd regelmatig onderbroken door een diepe oprit, god weet waarheen. De rijbaan daarentegen was kennelijk recent geasfalteerd, deze was glad en fietste heerlijk weg. Dat was geen enkel probleem want als ik op die weg in 5 dagen 10 auto’s ben tegengekomen, is het veel.
Behalve dat het verschijnsel fietspad niet wijd verspreid is, wordt het zelfs door de ontwerpers ervan niet erg serieus genomen. Regelmatig verschijnt gevaarlijk dicht bij het midden van het pad een lantaarnpaal of zoals in het prachtige onlangs door kilometerslange vlonder-wandel/fietspaden ontsloten Barrinha de Esmoriz, moet je uitkijken met passeren want je knalt zo op een van de fraaie houten lessenaars met uitleg over de omringende flora en fauna.

Ook hangen er houten afvalbakken vervaarlijk over het pad. Dit kustgebied overigens wordt opgeknapt voor 4 miljoen euro, waarvan 3.5 van de EU komt. ‘Kustversterking in verband met klimaatverandering’ staat op een infobord.

21 mei Saudades

– naar Zambujeira do Mar –
Alweer 14 dagen zit ik in Cortegaça en ik ben er niet weg te branden. Het prachtige plekje voor mijn bus, het zachte lenteweer, wat wil een kampeerder meer.
Wat echter in toenemende mate aan me begint te ‘trekken’, is Maria Nácia. Zij is in mijn Alentejaanse jaren (1990-2006) een belangrijk persoon voor me geweest. Moeder, zus, tante, vriendin, het dekt geen van alle de lading maar ze was er altijd en ze was altijd blij me te zien. Nu lijdt ze aan alzheimer. Vorig jaar herkende ze me al niet meer. Ze woont nog steeds in het huisje waar ik zo vaak te gast ben geweest, en wordt verzorgd door haar enige zoon. Overdag brengt zij door in het ‘centro de dia’, samen met streekgenoten in hun laatste levensfase. Het centro de dia, waar ze vroeger beslist niet heen wilde, een van de weinige keren dat ik haar de wens van haar man heb zien weerstaan: ‘omdat ‘ik liever mijn eigen onderbroeken was hahaha’. Die karakteristieke schaterlach van haar.
Hoe zal het gaan met Maria Nácia?
Leeft ze überhaupt nog? En waarom snel ik niet naar haar toe, en dus naar Zambujeira, het dorp waar ik zoveel jaren gelukkig ben geweest? Allereerste obstakel is de zoon, bij wie ik niet welkom ben. Ik kan mijn lieve amiga natuurlijk bezoeken in het centro de dia en dat zal ik ook zeker (weer gaan) doen, maar wie zit daarop te wachten? De verzorgsters kijken vertederd naar mijn oude, niet geroeste liefde en dat is het dan. Mijn lieve vriendin zelf kent mij niet en oké, ik krijg haar bij vlagen aan het lachen, aan het knuffelen en als ik dit zo opschrijf denk ik: nou dan, ga er dan heen! Maar ook het dorp doet me pijn. Het ligt er doods en verwaarloosd bij sinds het enige jaren geleden de status van freguesia is kwijtgeraakt en onder São Teotónio valt, de grotere buurgemeente.
Bouwprojecten zijn stilgevallen en de huizen, nog in de steigers, zijn al ruïnes geworden.

Ruïnes en roestende bouwmachines met een rammelend hek er omheen. Wegen zijn niet meer opgeknapt, winkels verdwijnen of worden vervangen door uma loja chinesa, ik vang bot bij mijn lievelingrestaurantjes, die roemloos leegstaan of gerestyled worden uitgebaat door een nieuwe eigenaar. Ik moet natuurlijk zeggen: ik mis daar mijn oude dorpje, mijn vrienden van toen, waarvan de belangrijkste niet meer onder ons zijn. En de ongerepte plekjes. Zeker, het is nog altijd dat schilderachtige dorp aan zee, hoog op de rotsen, met een paar honderd mensen in de winter en het honderdvoudige in het vakantieseizoen. Maar ik ben er niet meer thuis.

‘Mijn’ plekje in het pijnbos, waar ik woonde in mijn bus, is leeg gekapt, brandvoorschrift heb ik begrepen. En al ben ik nog altijd welkom, met bus en al, ik voel me er niet meer op mijn plaats.
Nu ben ik natuurlijk ook niet meer de gretige, levenslustige vrouw van toen. Toch zal ik er binnenkort weer heen gaan. Ik zal er opnieuw, zoals de laatste jaren traditie is geworden, de overgebleven vrienden van toen uitnodigen voor o almoço, en jawel, er heerst steevast tijdens die smulpartijen een sfeer van ons kent ons. Maar de mensen van wie ik hield, ontbreken: António, Maria Nácia, Zé Pedro, Manuel, Maria Rosa, Celeste… en vele anderen.
In Almoço met de doden stel ik deze verloren vrienden aan u voor.

23 mei Lurdes

Vanmiddag kocht ik een doosje thee bij Lurdes op de hoek. Deze ontypisch blonde Portugese van een jaar of 40, runt een minimercado, van Amanhecer, en dat doet ze met stijl. Een goedemiddag komt me tegemoet zodra ik een stap over de drempel zet. Chá de cidreira, zeker heeft ze die. 65 c(êntimos) staat er op het doosje. ‘In januari was het nog 50′, zeg ik, en ja dat klopt. En niet alleen de thee is duurder geworden. Lurdes barst los in een kritische analyse van de huidige situatie. Het is een chauvinistisch verhaal met veel ‘wij Portugezen’, het is ook een nostalgisch verhaal, met heimwee naar de escudo en de conto. “Portugal verkwanselt zich aan het buitenland, buitenlandse investeerders krijgen jarenlange vrijstelling van belastingplicht, oké ze creëren banen en die zijn er heus meer dan een aantal jaren geleden. Maar de doorsnee salarissen zijn te krap om van te leven. Wat te denken van een salaris van € 600 en en een huur van 400? En waarom krijgen wij Portugezen niet dezelfde belastingvoordelen als we hetzelfde doen: een bedrijf opstarten? Wij zijn met veel te weinigen om de schatkist gevuld te krijgen, dus stijgen de belastingen, dus stijgen de prijzen en wie garandeert mij dat ik straks iets terug zie in de vorm van een pensioen?
Nee ze hadden ons de escudo moeten laten houden, als je 500 escudos had, had je wat! Weet je dat er nog steeds klanten zijn die me een handvol euromunten toestoppen zodat ik de betaling kan afhandelen? En weet je wat er gebeurde toen de euro werd ingevoerd? Alles werd in een klap veel duurder. Haar eigen moeder verkocht peterselie op de markt voor 5 escudos. Toen de euro werd ingevoerd vroeg ze voor het gemak een euro, dat moest genoeg zijn… Nee, zegt ze, ik ben faliekant tegen de euro.” En de Europese Unie, is ze daar ook tegen? Nou nee, en ze gaat zeker ook stemmen… “Ik zag Frans Timmermans, kandidaat voor het voorzitterschap van de Europese Commissie, op tv Portugal ten voorbeeld stellen aan andere lidstaten. Portugal namelijk heeft prima zijn begroting op orde” zo doe ik een duit in het zakje. Ze lacht een beetje vilein: “Leugens’ zegt ze. Propaganda, mais nada.”
“Toch ga je stemmen”, zeg ik en kijk haar vragend aan. “Ik ben niet tegen de Europese Unie, ik ben tegen de oneerlijke verdeling. Portugal heeft weinig afgevaardigden en dus nauwelijks iets in te brengen. Bovendien is het daar boven, in die besturen een en al corruptie. Ik ben ervoor dat we ons in Europa aaneensluiten maar dan moeten wij gewone mensen er ook van profiteren.” Ze slaat mijn boodschappen aan op de kassa maar ze is er niet helemaal bij. Er verschijnt een droevig lachje om haar lippen. En friemelend aan mijn doosje thee steekt ze weer van wal. ‘Geld corrumpeert’ en dat zal ze illustreren aan de hand van een heel andere sector.
Ze is een verwoed pelgrim en was lid geworden van een pelgrimsgroep. Jaarlijks reizen ze gezamenlijk naar Fatima en dan worden de kosten zogenaamd omgeslagen. Nou zegt ze, mij maak je niets wijs als het om prijzen gaat, ik ben verdorie een kruidenier. Ze vroegen een veel te hoog bedrag en ik ben meteen overgestapt naar een andere groep. Dat was vorig jaar. We waren met ons negenen en betaalden toen elk ongeveer 18 euro en dat leek me wel kostendekkend. Dit jaar waren we met 20 mensen en moesten we opeens 35 euro betalen. Dat kan toch niet, zeg nou zelf..’ Ik knik maar eens want ik ben moe van het lange staan en ik lach haar vriendelijk toe. Ik stop mijn portemonnee in mijn tas en met het doosje thee en de yoghurt naturel, die ze speciaal voor mij heeft besteld, in de hand, maak ik aanstalten om te vertrekken.
“Weet je”, zegt ze “dat de hele Portugese middenklasse zo’n beetje verdwenen is? We hebben een klasse van slimme, uitgekookte rijken, onder wie veel buitenlanders (-het is hier een paradijs voor buitenlanders- ) en steeds meer mensen die nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden. Armen ja, er zijn steeds meer armen. In elk gezin moeten beide mensen fulltime werken om ook maar enigszins rond te kunnen komen. En de voedselbanken barsten uit hun voegen.”
In een artikel uit 2012 van de hand van de Belgische Willemijn van Kol, op community.dewereldmorgen.be lees ik dat na de financiële crisis voor het eerst grote aantallen middenklasse Portugezen hun schaamte hebben moeten overwinnen en bij de voedselbank hebben aangeklopt. Er waren toen 300.000 Portugezen die hiervan gebruik maakten. Ik zie op internet dat dat er momenteel 400.000 zijn. Ter vergelijking: in Nederland waren dat er in 2018 140.000. Portugal heeft ruim 10 miljoen inwoners, Nederland ruim 17 miljoen.

1 juni De tandarts

Gisteren had ik geen keus, ik moest op zoek naar een tandarts. Mijn kaak was lelijk ontstoken en ik had al enkele dagen geprobeerd met extra goed poetsen en mondwater hier een eind aan te maken. Het leek zo nu en dan te helpen en dan was ik weer oh zo blij dat ik kon wachten tot ik in Nederland naar mijn eigen tandarts zou kunnen gaan. Helaas, eergisteren werd het onhoudbaar en heb ik mijn plaatselijke vrienden gevraagd of zij misschien een goede tandarts kenden. O ja, die wisten ze wel. ‘Ik ken een schat van een tandarts, een vriendelijke zachtaardige man, morgen gaan we er heen’ zei Cassu gedecideerd. We zijn gegaan.
Om half 10 stonden we op de stoep van een oud, bescheiden pand, alle luiken gesloten en geen kip te bekennen. Openingstijden: 10 tot 20 u, aha, nog even koffie drinken dan maar. Ik had mijn tandpasta en tandenborstel meegenomen want dit had ik voorzien, althans een of andere variatie hierop. Om 10 uur waren we terug en was de situatie onveranderd. Cassu liep naar de overkant van de straat en sprak een pompbediende aan. Ze keerde terug met de boodschap dat de tandartsassistente, een blondine, zo zou komen, ze zat nog even koffie te drinken, daarginds… We wachtten nog wat en keken naar elke voorbijgangster of ze misschien blond was. Maar tenslotte, om 10.15 uur kwam de echte blondine haastig naderbij, sleutel in de aanslag en nodigde ons vriendelijk binnen.
We betraden een kale hoge ruimte, vergelijkbaar met de hal van een schoolgebouw in de jaren ‘50 in Nederland, en de assistente klom achter de balie, een soort toonbank uit een ouderwetse kruidenierszaak, maar met een computer erop. Cassu stak van wal en oh wat was ik zielig. ‘Je moet niet al te vrolijk kijken, en je spreekt nauwelijks Portugees’, had ze me tevoren gewaarschuwd ‘want ik ga een spoedconsult bepleiten’. Ondraaglijke pijn, ik kon nauwelijks nog praten, laat staan eten en ik was op doorreis, hoe moest dat nou? ‘Oh’ zei de assistente, ‘dat is niet zo mooi. Er komt zo dadelijk een patiënt dus als jullie over een half uur terugkomen, dan kijkt de dokter wel even. Ga gerust even koffie drinken, daarginds is een prima pastelaria’.
Gelukt! We waren zo goed als binnen.
Een half uur later keren we terug in de tandartspraktijk, sjouwend met o.a. twee garrafãos de água van de naburige Pingo Doce. We vallen neer op twee van de stoelen die dienst doen als wachtkamer en zien vrijwel meteen de vorige patiënt de spreekkamer uitkomen. We mogen naar binnen. Cassu gaat mee om mij met haar zonnige glimlach zo nu en dan moed toe te knikken.
De tandarts zal tegen de 60 lopen. Hij is een wat sjofele figuur, en maakt een bijzonder relaxte indruk. Bom dia zegt hij en drukt mij hartelijk de hand. Zijn opvallend grote ogen kijken me daarbij tegelijkertijd uitnodigend als onderzoekend aan. Gaat u zitten, wijst hij op de tandartsstoel en zelf zet hij zich neer op een van de twee stoelen die horen bij zijn houten bureau. Vertelt u het eens.
Ik heb pijn, hier, no quexio zeg ik en wijs op mijn linker onderkaak. Nee, zegt de tandarts: hier zit je quexio en hij neemt zijn kin tussen duim en wijsvinger en trekt hem flink naar voren. En dit hier is de quexiada. Zijn kaak dus. Oké, ik heb pijn aan mijn kaak, links onder. En hoe komt dat, denkt u? Implantaten zeg ik. Aha, die dingen veroorzaken nogal eens problemen. Het stikt daar van de micro-organismen en als je die niet goed verwijdert, ontsteekt de boel. Hebt u geen tandensproeier? Jawel, maar die heb ik thuis in Nederland gelaten (bij mijn overige luxeproducten, zeg ik er niet bij). Oh, laten we eens even kijken.
Op zijn dooie akkertje bindt hij een grijs-witte schort om en doet een mondkapje voor.
Hij draait aan de stoel tot ik ‘lekker’ lig en begint met zijn inspectie. Rustig nog steeds, werkt hij tand na tand en kies na kies af met zijn spiegeltje en een scherpe pin. Een paar keer zegt hij: doe de mond maar een beetje verder dicht. Ontspannen betekent dat, want het werkt. Juist ja, zegt hij en zet me overeind. Twee ontstekingen, voor en achter. Menina, kom even foto’s maken van de wortels van mevrouw.
Waarom schrijf ik dit allemaal op? Waar het om gaat is de rust en het vertrouwen die bezit van me nemen. Het angstige vooroordeel dat je van een Portugese tandarts niet veel goeds kan verwachten, verdwijnt als sneeuw voor de zon. Cassu knipoogt eens naar me en gebaart van: ‘zie je wel, wat heb ik je gezegd’. De foto’s tonen geen problemen aan de wortels en hij besluit tot ‘uma pequena limpeza’ een kleine schoonmaak. Stelt niets voor hoor, stelt hij me gerust. Een boel gepeuter, geschraap en geschuur later, zet hij me mijn bril weer op en kijkt me geamuseerd aan. ‘Een beetje pijn deed het wel hè?’ Kijk, ik smeer deze zalf op het tandvlees en kijk hoe ik dat doe. Precies op deze manier moet je dit herhalen, elke avond en ochtend na het tandenpoetsen. Niet naspoelen dus! Je doet dit 3 dagen en als de pijn dan nog niet is verdwenen maak je er 5 dagen van. En dan… hij neemt een pauze om schalks te lachen voor hij de zin afmaakt: … dan garandeer ik u dat het probleem is opgelost’.
Ik heb de neiging hem te omhelzen’, zeg ik ietwat indirect tegen Cassu en wat doet de tandarts: hij spreidt zijn armen. Ik spring uit de tandartsstoel in de armen van de tandarts en geef hem een stevige, dik verdiende knuffel. In het halletje met de computer geeft de assistente me de rekening. €38.50. Portugal kent toch echt een heel andere levensstandaard dan wij. Hetgeen je in de supermercado, de talrijke shoppingcentra en ook aan de benzinepomp bijna zou vergeten.
Waarom eigenlijk zag ik zo op tegen een Portugese tandarts?
Voor een deel speelde de gewone ‘angst voor de tandarts’ me parten en klampte ik me vast aan het idee: over een paar maanden naar mijn eigen tandarts. Maar, er was meer aan de hand.
Heeft onderstaande geschiedenis er misschien mee van doen?
Rond 1995 moet het geweest zijn dat ik mijn lieve buurvrouw meegenomen heb naar de tandarts. Eten, en ook lachen, lukte nog perfect, maar ze had een mond vol stompjes en riekte verschrikkelijk uit haar mond. Kom, zei ik op een dag, dat kan niet gezond zijn, we gaan naar de tandarts, oké? Het was oké. In het volgende dorp hield, naar verluid, om de zaterdagochtend een tandarts uit de Algarve spreekuur en daarvoor hoefde je tevoren geen afspraak te maken.
De eerste de beste zaterdag trokken we er op uit. De buurman ging mee, uit solidariteit neem ik aan en het echtpaar stak zich voor de gelegenheid in hun beste plunje. Ik moest altijd een beetje lachen als ik ze zo zag: mijn lieve oudjes, die normaalgesproken voortdurend in de weer waren in en rond hun hut van een woning, gestoken in verschoten en versleten kledingstukken. (Later zou ik erachter komen dat zij een kast vol ‘goed goed’ achter de hand hielden, ‘voor speciale gelegenheden’. Maar dat is een ander verhaal…
We troffen de tandarts op de bovenverdieping van een onduidelijk gebouw, maar het kan ook zijn dat ik indertijd niet goed gekeken heb. Wie me echter nog helder voor de geest staat, is de tandarts zelf. Hij ontving ons met een walmende sigaret in de hand en wuifde met zijn hand de rook richting het open raam. Vertel het eens, galmde hij ons toe. Het slachtoffer nam met wijd open mond plaats in de tandartsstoel en zorgelijke rimpels verschenen op het voorhoofd van de nog altijd rokende dokter. ‘Tja, dit geval gaan we eens heel zorgvuldig aanpakken’, verzekerde hij ons.
Maandenlang zijn we om de zaterdagochtend naar de tandarts gereden en tand voor tand heeft hij verwijderd uit haar beide kaken. ‘Op deze manier kan haar mond zich steeds herstellen’, redeneerde de man.

 
En het moet gezegd: zijn zorgvuldige strategie wierp zijn vruchten af. Ik kan me niet één ontsteking herinneren. Vrijwel zonder problemen is Maria Nácia van haar stompjes verlost. Eén, geweldig groot lijkende, ondertand is gespaard gebleven en die tand zit er nog steeds, 25 jaar later. De er omheen gefabriceerde prothese is allang niet meer in gebruik maar haar ene tand doet nog steeds zijn eenzame werk. Stukken brood afscheuren, een stukje worst verorberen, een lapje vlees zelfs, ze heeft er weinig moeite mee.

2 juni Parque Natural

Indertijd, in de jaren 90 van de vorige eeuw, prees ik me gelukkig met het stukje Portugal waar het lot (en de zon, en mijn zin voor avontuur) me had gebracht. Ik bevond me middenin het beschermd gebied met de lange naam die ik zelfs nu nog moet opzoeken: Parque Natural do Sudoeste Alentejano e da Costa Vicentina.

Het is een lange smalle kuststrook in het uiterste zuidwesten van Portugal, deels Alentejo, deels Algarve. Mij werd verteld dat dit beschermd gebied een reactie was op de petrochemische industrie die van het iets noordelijker gelegen idyllische vissersdorp Sines een chemisch riekend stedelijk gebied heeft gemaakt. Tevens was het een reactie op het sterk gegroeide toerisme in de Algarve, waar de vissersdorpjes Albufeira en Portimão bijna onvindbaar waren geworden tussen de vele appartementencomplexen, hotels en bijbehorende uitgaanscentra.
In Zambujeira do Mar en de andere kustplaatsen was (en is…) het verboden gebouwen van meer dan twee verdiepingen neer te zetten en daar heeft men zich aan gehouden. Wel staat er op heel wat huizen een bijna verborgen derde verdiepinkje, dat nooit deel uitmaakt van de voorgevel.
Bovendien was en is het Parque een no go voor industriële vestigingen. Dus, tel uit je winst. Natuurlijk moeten we die vooral zoeken op het gebied van de natuurlijke omgeving. Ik weet te weinig van ‘de natuur’ om hier gedetailleerd verslag te doen van de fauna en de flora, maar de bordjes langs de kust die elk voorjaar weer vernieuwd werden, omdat ze door de hevige winterstormen onleesbaar waren geworden of zelfs helemaal verdwenen, somden geduldig de rijke plantengroei in de duinen op, de aanwezige vissen in de zee en de vogels en andere dieren. Compleet met verhelderende illustraties.
Drinkwater werd betrokken uit de vele natuurlijke bronnen. De bewoners vertelden elkaar waar het water het lekkerst was en in de weekenden stonden er soms files bij de favoriete plekjes. Ikzelf toog om de andere dag, met een garafão, een vijf liter fles van water uit de supermarkt, naar a Fonte da Nossa Senhora, 100 meter lopen richting zee, daarna een kronkelpaadje door de duinen naar beneden waar een waterkraan was aangebracht in het struikgewas.
*De garafão overigens is in Portugal een onmisbaar gebruiksvoorwerp,  dat talloze toepassingen kent. Op campings houden ze de tentzeilen op hun plaats, op de grond, of op het dak en in Alentejaanse dorpen staan ze tegen de gevel om piesende katten weg te houden. Plantenbak, bloemenvaas, vissenkom, bedenk maar iets…
Wat een rust… 10 maanden van het jaar was deze streek ‘um deserto’, zoals de bewoners het, vaak verdrietig, typeerden. Er was dan voor de (vele) café’s en restaurants geen stuiver te verdienen en ook de drie mini-mercado’s hadden het hard te halen. Deze ‘comerciantes’ moesten het helemaal hebben van het hoogseizoen, juli en augustus, wanneer de families uit Lisboa kwamen genieten van hun vakantiehuis. Vakantiehuizen die inderdaad de rest van het jaar, met gesloten luiken op hun eigenaren stonden te wachten. Eindelijk een boel klanten in de winkeltjes, eindelijk een bescheiden mercado met vis en verse groenten en fruit. En een gevuld strand.
Het was aldus een eldorado voor mij en andere rustzoekers. Ik genoot van de ruimte, van de stilte, ontdekte de vele ongerepte strandjes, en fietste rond in het achterland, over zandpaden die in de winter werden doorkruist door diepe ondoorwaadbare plassen. Ik leerde het overleven van de bewoners kennen. Ze hielden een varken, ontgonnen een stukje grond, vaak geleend van de buren, en hielpen elkaar aan aardappels, uien, wortels, kool en bonen, tomaten, meloenen en nog veel meer. En daarvan maakten ze heerlijkste gerechten! Geef de Portugees een teentje knoflook, een paar uien, een (liefst 5-liter)fles olijfolie en wacht maar af. Dat wordt altijd smullen! De kok wordt uiteraard geholpen door de visser en de jager en het varken geeft vlees voor een heel jaar.

Ik moet nu eerst de legende van de stenensoep vertellen.
Een zwerver doet een dorp aan in het binnenland van Portugal en stapt het eerste het beste boerderijtje binnen dat hij tegenkomt. Daar ontvangt hij een geurend stuk vers brood. ‘Hartelijk dank Maria’, heb je mijn speciale soep al eens geproefd? Hij raapt een mooie gladde steen van het erf, veegt hem af aan zijn broek en houdt hem de vrouw voor de neus. Hiervan maak ik de lekkerste soep die jij je kunt voorstellen, oké?’ Behulpzaam zet de vrouw een pan water op het vuur en behoedzaam legt de zwerver de steen op de bodem van de pan. ‘Ziezo, nu moeten we even geduld hebben. Rustig kijkt hij toe hoe het water aan de kook raakt en vraagt dan: ‘heeft Maria misschien een uitje om erbij te doen?’
Jazeker. Wat peterselie misschien? Een worteltje, een aardappel, een scheutje olijfolie, een snufje zout… Al gauw geurt de keuken naar een verrukkelijk soepje en verheugen de zwerver en Maria zich op een heerlijke smulpartij.

Wanneer verschenen de eerste rafels aan de idylle? Ik moet hier even toelichten dat hetgeen voor mij een idylle was, voor de meeste bewoners pure armoe betekende. Alleen het centrum van het dorp kende elektriciteit, die bovendien soms urenlang uitviel, en stromend water en de mensen op het platteland eromheen leefden bij kaarslicht, kookten op open vuur en hesen hun (was)water op uit putten. Een wasmachine bijvoorbeeld hadden zij nog nooit gezien. En de tv kenden zij alleen van de café’s en restaurants.
Het moet rond 1995 zijn geweest dat ten zuiden van Zambujeira, Brejão geheten, een welhaast verlaten en ongerept kustgebied een grote hoeveelheid plastic kassen verscheen. Odefruta heette dit project en het zou gefinancierd zijn door de EU. De namen van de Griek Onassis en de Fransman Roussel zongen rond. Zij zouden bij de EU het geld hebben losgepeuterd voor deze enorme onderneming.
In het kassengebied werd een waterleiding aangelegd, er kwamen elektriciteitspalen, een in mijn ogen geavanceerd computercentrum en splinternieuwe vrachtwagens. Dit project leverde een boel werkplekken op en voortaan zag je dagelijks met slaperige mannen en vooral vrouwen volgestouwde busjes in alle vroegte het dorp verlaten en ’s avonds keerden zij terug. De bestofte arbeiders stapten uit, veelal voorzien van plastic tasjes vol komkommers en paprika’s in formaten die de mensen verbluften
Twee jaar later was het voorbij. Financieel wanbeleid, zo vertelde men, – m.n. Roussel zou er met de poet vandoor zijn – en het gebied werd aan zijn lot overgelaten en langzaam maar zeker leeggeplunderd. In de wijde omgeving werden tuintjes en hele akkers plotseling voorzien van een omheining van groen gaas, naar mijn mening afkomstig van Odefruta. Sommige plaatselijke boeren namen het concept van de kassen over en er ontstonden aanvankelijk hier en daar kascomplexjes. Slim, dacht ik nog…
Inmiddels zijn we dik 20 jaar verder en heeft zich in mijn ogen een ramp voltrokken: grote buitenlandse ondernemingen hebben hier inmiddels het ‘hele’ beschermde gebied opgekocht en geëxploiteerd. Het ‘parque’ is veranderd in een soort Westland. Toen het gebied beschermd werd verklaard heeft men ogenschijnlijk geen rekening gehouden met de ontwikkelingen in de tuinbouw. Industrie en toerisme waren de bedreigende factoren maar men had kennelijk buiten de ontwikkelingen in de agrarische sector gerekend. En ik heb begrepen dat milieugroeperingen tot op heden vechten tegen de mazen in het wetgevende net.
Grote buitenlandse ondernemingen weten tot op heden deze mazen te vinden. En zo voltrekt zich hier een drama, dat mij doet denken aan het spiegelbeeld van de koloniale tijd: buitenlandse ondernemingen verpesten de Portugese natuur en vrijwel geen Portugees die er beter van wordt…

8 juni Zambujeira do Mar

Inmiddels ben ik naar Zambujeira gereisd, 474 km over de tolweg, in een paar uur heb ik half Portugal doorkruist. Het was miezerig weer, dus koos ik voor deze ‘kortste weg’ want wat zou ik onderweg allerlei leuke plaatsjes aandoen ‘met dit weer’. Maar het was toch vooral een innerlijke drang die plotseling bezit van me genomen had. Ik moest gewoon naar Zambujeira, ik moest naar Maria Nácia.
Ze leeft nog en hoe! Ze ziet er stukken beter uit dan een jaar geleden en ze is bij vlagen prima aanspreekbaar. Ze herkent me niet maar ik ben haar zeer vertrouwd. Ze buigt zich naar me over en vraagt dingen als: waar woon jij? En Holanda vindt ze een mooie naam, die heeft ze wel vaker gehoord. Waar ze zelf woont, weet ze niet en als ik zeg: no Brejo toch? Antwoordt ze fronsend: Brejo, daar woon ik vlakbij. Ik zeg niet veel en heb mijn hand op haar arm gelegd. Zo nu en dan veert ze overeind in haar rolstoel en zegt bijvoorbeeld: ik ben vandaag hierheen gekomen, ik maak een uitstapje. ‘Blijf je hier ook eten?’ Dat weet ze niet. Ze probeert in haar geheugen een antwoord te vinden en geeft het al snel op: ‘pois’ zegt ze dan, slepend, zoals ze dat doen in Alentejo. Zo vulde ze altijd al stiltes en er achteraan ‘assim é a vida’, zo is het leven. Na een korte adempauze volgt ook nu het grinnikend uitgesproken ‘para os pobres’, voor de armen. Even later pakt ze mijn hand: dit is een mooie hand, zegt ze al strelend en drukkend. Ze zoekt en pakt de andere erbij: mãozinhas bonitas, mooie handjes. Ze streelt haar gezicht met mijn hand: ‘ik hou van deze handjes’, zegt ze.
Bij mijn tweede bezoek neem ik een cakeje voor haar mee. ‘Wat is dat?” vraagt de directrice van het dagcentrum nog voor ze mij gedag zegt. Nee nee, we gaan zo eten en ze grist het doosje uit mijn hand. Ik kan een lachje niet onderdrukken bij de herinneringen aan Maria’s ongebreidelde snoep- en eetlust. Op elk moment van de dag at ze alles, van een restje (koud en rechtstreeks uit de pan) bonenschotel in de vroege ochtend tot broodpap vlak voor de lunch. Haar eetlust leed er niet onder: ook aan alle maaltijden deed ze uitbundig mee…
Nu wordt ze verzorgd, ze ziet er schoon uit en haar haar is gekamd. Maar zoals dat gaat: weg is haar autonomie. Het treft me pijnlijk als me steeds weer meewarig, fluisterend, en met een veelzeggend tikje tegen het hoofd, wordt toevertrouwd: ‘ze is er vanaf’. En dat is ze ook. Ze herkent me niet, mijn naam zegt haar niets maar… ik heb uitvoerig contact met haar. Ze is doof en vrijwel blind en dus ga ik vlak voor haar neus zitten en roep haar zo nu en dan iets toe. Zoals ik jarenlang gedaan heb en ik betrap mezelf op de gedachte: er is weinig veranderd.
We zeggen niet veel. Zo nu en dan veert ze op en vertrouwt me iets toe. Mijn oom, zegt ze maar wat er met hem is, komt niet uit de verf. Op een gegeven moment besluit ik het erop te wagen: ‘António?’ zeg ik. Mijn echtgenoot? vraagt ze. ‘Die is al heel lang dood’. Ziezo, daar is geen woord Spaans bij. En Felipe, probeer ik. Felipe? Ik weet niet waar die uithangt. En dat is een overbekend zinnetje.
En verder? Zambujeira brengt me in verwarring. Het ligt er schitterend bij, als vanouds.  Zolang ik tenminste aan de reling sta en uitkijk over het mooiste plekje van de wereld: de Atlantische Oceaan die 20 meter onder mij komt aanstormen en witte schuimkoppen achterlaat op en tegen de rotsen in de branding. Maar bij nader inzien toont het dorp zelf een verwaarloosde aanblik. De enkele recentelijk witgekalkte huizen hebben iets van steriele eilandjes en benadrukken de afgebladderde staat van de rest. Met mijn fiets baan ik me een weg over de hobbelige straten, waar moppen nieuw asfalt, ongetwijfeld bedoeld om de gaten in het wegdek te dichten, het er niet beter op maken.
Zelfs de mensen van vroeger zien er verwaarloosd uit. Alberto van 40 plus heeft opeens het lijkwitte gezicht van zijn moeder boven het slonzige dikbuikige voorkomen van zijn vader, gestoken in een vaal t-shirt. Ik ken hem nog als keurige gemeenteambtenaar strak in het pak. Na de dood van zijn vader heeft hij diens minimercado overgenomen. Vorig jaar nog voerde deze de naam van Coviran, een met Amanhecer te vergelijken keten. Toen lag alles netjes in de schappen. Maar nu ademt het geheel weer de oude vertrouwde sfeer én geur van de uitpuilende winkel van sinkel van zijn vader. Ik zie zelfs weer ‘oude’ mesjes, klosjes garen en eetgerei liggen… Zal hij ook weer een laatje hebben met alle soorten schroeven, haken, touw en een magazijn vol met wat voor onvoorziene benodigdheden ook? Rustig en waakzaam tegelijkertijd, precies zijn pa, zit hij achter de kassa en rekent af met een heel nieuwe klandizie. Aziatische jonge mannen komen hier hun eten kopen, na een lange dag in de kassen. Nepalezen zijn het, zo wordt me verteld en ik kan het trouwens zien op de gevel van enkele nieuwe eethuisjes. In het dorp verderop, zie ik later, is al een Nepalese supermarkt verschenen, evenals een Nepalees eethuisje.
Deze mannen werken dus in de kassen. Hoe zij hier gekomen zijn, en waarom precies zij, is me niet duidelijk geworden. Enkele dorpsbewoners die ik hiernaar vraag hebben geen flauw idee. Uiteraard (ik heb nog nooit een Portugees horen zeggen: ik weet het niet) spannen zij zich in mijn vraag te beantwoorden maar verder dan: die werken in de kassen, komen ze niet. Het is een wonderlijk gezicht. Zij zijn met velen en je ziet ze vooral in de vroege avond, als ze door bestofte busjes worden afgezet in het dorp. Of ze staan, zitten, liggen, in de berm van de toegangswegen en -weggetjes en kijken op hun mobiele telefoon.

10 juni De kassen

Wanneer ik bij Alcaçar de snelweg verlaat, maakt mijn hart een sprongetje: ik ben aangekomen op bekend terrein: de kuststrook van Alentejo. De oleanders staan in bloei, evenals de brem in de berm, de zanderige berm. De auto’s op de goed onderhouden tweebaansweg zitten me op de hielen om zo gauw er een gaatje is, te passeren. Maar toch, het leven lijkt zich te vertragen. De zon brandt op het dak van mijn bus, al is het voor juni een vrij kille dag. Ik draai mijn raampje open en rijd door en langs de bekende plaatsen: Grândola, Santiago de Cacem, Santo André, Sines, Porto Covo, Cercal, S.Luís, Milfontes… Hier en daar verschijnt een doorkijkje naar zee, die blauwe oneindigheid die me dieper doet ademhalen.
Na het lezen van het alarmerend artikel (…) over het ongebreidelde aantal kassen en het verpeste landschap, kijk ik net iets anders om me heen. Maar… prachtig is het hier, hoge bomen, waarvan ik de eucalyptus herken, de pijnboom, en de vele acacia’s, uitgestrekte golvende velden, met hier en daar een witgekalkt buitenhuis. Op dit uur van de middag rijd ik door verlaten dorpen, met wagenwijd openstaande cafédeuren. Kassen zie ik niet, geen een. Het is hier nog te noordelijk concludeer ik, of te oostelijk. Ik moet waarschijnlijk dichter bij de kust zijn, en nog wat meer naar het zuiden.
Wanneer ik aankom bij de camping van Zambujeira heb ik welgeteld 3 kassencomplexen gezien. Ik stel verheugd vast dat het hier nog steeds onbeschrijflijk mooi en authentiek is. De vervuilde waterbronnen indachtig bedenk ik dat de schade aan het milieu misschien niet zonder meer met het blote oog is waar te nemen.
De volgende dag en ook de dag erop fiets ik rond in de omgeving van Zambujeira en ik kom nog steeds niet verder dan nu dan toch 5 kassencomplexen.
Op dag drie rijd ik met mijn busje naar Brejão, hemelsbreed zo’n 8 km verderop, naar het zuiden, maar vanwege de zanderige toegangswegen moeilijk met de fiets te bereiken. Ja, kassen, heel veel kassen. Tot ver voorbij Carvalhal, pal aan zee, met uitzicht op de pittoreske stranden, alsmaar kassen. Het voormalige terrein van Odefruta is bedekt met vele rijen lang plastic
en waar ik ook naar binnen gluur, zie ik nog niet helemaal rijpe frambozen. Het is dus frambozentijd… Ik hang een beetje rond in deze omgeving en een sfeer van gemoedelijkheid treft me.
Tussen de kassen lopen vaak schaduwrijke weggetjes die doodlopen op de volgende kassenstraat. Busjes, pick-ups en vrachtwagens staan te wachten op parkeerplaatsen bij witgekalkte kantoorgebouwtjes, op de vruchten en op de werknemers, neem ik aan. Het geheel ademt verzorging uit en dikke business, dat ook. Overal hangen borden met inlichtingen en vergunningen (denk ik) en de kassen hebben niets meer van de wapperende lappen van weleer. Toch zien ook hier jonge vakantiegangers kans een plekje te vinden om wild te kamperen… Werkende mensen kom ik nauwelijks tegen, die bevinden zich op dit uur allemaal binnenin de kassen lijkt me.
Tot mijn verbazing staat bij de ingang van een enorm complex een grote glanzende vrachtwagen, met over de hele zijkant ‘Vinhas do vinho Vicentino, dé wijn van west Alentejo’. Welja denk ik, ze hebben zelfs een stukje van de naam van het natuurpark ingepikt. Voor wijn trouwens? Ik loop het ‘verboden voor onbevoegden’-terrein op en kijk in de kassen. Druiven in kassen? Dat lijkt me raar… En natuurlijk niet, ook hier frambozen.
Een vriendelijke man spreekt me aan: goedemorgen, maar ik hoor en zie in zijn vriendelijkheid toch een soort: wat doet u hier? Ik vraag naar de wijn en hij legt uit dat de vrachtwagen frambozen brengt naar vele landen in Europa, hij somt ze allemaal op en ook Nederland zit er tussen. ‘Tegen betaling maken wij reclame voor de wijn, begrijpt u. Heerlijke wijn’, voegt hij er glunderend aan toe. ‘De wijngaarden liggen hier een eindje verderop, gaat u maar kijken’. En met een variatie op Cruyff: je ziet het pas als je het weet, rijd ik tussen Carvalhal en S.Miguel langs eindeloze heldergroene wijnstokken. In de bloei van hun leven, zou ik zeggen.

10 juni Mannen uit Nepal

Het is druk op de camping. Portugal viert op 10 juni ‘Dia de Portugal’, ook wel Dia de Camões, genoemd, waarvan mijn naaste omgeving beide benamingen door elkaar heen gebruikt en alleen weet dat het een nationale feestdag, dus vrije dag, is. Ik neem mijn toevlucht tot Google en kom er achter dat ook daar de heldere uitleg niet voor het oprapen ligt. Oké, 10 juni is de sterfdag van de dichter Camões en hij stierf in 1580. Maar … dan lees ik toch iets interessants. In de tijd van de Estado Novo, van 1933 tot 1974, werd op 10 juni Dia da Raça gevierd, ‘dag van het Portugese ras of de Portugezen’. Na de Anjerrevolutie werd dit veranderd in ‘Dia de Portugal, de Camões en de Portugese gemeenschappen’.
Aangezien 10 juni dit jaar op een maandag valt, hebben de Portugezen een lang weekend. Omdat 13 juni vervolgens een belangrijke feestdag is voor Lissabon, dia do Santo António, maken sommigen er een vakantieweekje van. Met de tent voor de een, met de camper voor de ander.
Het terras van het campingcafé is gezellig vol op de late zaterdagmiddag en aan een tafel in de hoek zit een groepje van 6 Aziaten, allemaal Nepalezen, hoor ik later, die aan grote glazen bier zitten. ‘Mag ik jullie wat vragen?’ zeg ik. Zes paar gitzwarte ogen kijken me vriendelijk en verwachtingsvol aan en dus steek ik van wal.
Ik vertel ze dat ik me na enkele jaren afwezigheid alhier, verbaas over het grote aantal Aziatische mannen dat hier opeens rondloopt en vraag ze eigenlijk gewoon of ze mij kunnen vertellen hoe dat komt. Hoe zij hier terecht zijn gekomen, en met zovelen. En waarom speciaal uit Nepal? Minstens drie van de zes spreken een mondje Portugees, één spreekt vloeiend Engels en al snel voert deze laatste het woord. Onder bijval van zijn ijverig knikkende vrienden vertelt hij dat zij studenten zijn, en dat ze hier zijn komen werken omdat dit de gemakkelijkste ingang tot Europa is. Ze werken hier een jaar, zo begreep ik en dan kunnen ze een paspoort krijgen en gaan ze uitzoeken in welk Europees land ze zich willen gaan vestigen. De jongeman somt gedurende het gesprek tot drie keer toe een aantal landen op: Denemarken, Groot-Brittannië , Zweden, Frankrijk.. ‘Nederland misschien’ vraag ik? Ja natuurlijk Nederland. Komt u uit Nederland? Een zestal high fives valt mij ten deel.
Het antwoord op mijn vraag: waarom nou juist Nepalezen, komt niet uit de verf. Maar ik moet niet vergeten: Portugal heeft goede banden met China, India en Nepal.

10 juni Pensioen en uitkering

In het campingcafé staat een bankstel: een driezitsbank en twee fauteuils. Ze staan eigenlijk te dichtbij het enorme tv scherm dat tegen de muur hangt, maar mij deert dat niet. Ik duik weg  in de rechter fauteuil, gewapend met mijn e-reader. Maar deze eerste avond komt er niets van lezen. Op het hoekje van de bank naast mij zit een vrouw net zo heerlijk weggedoken als ik, zij heeft er zelfs een dekentje voor meegebracht.
‘Koud’ zo opent zij de conversatie en dat kan ik alleen maar beamen. Er staat een koude wind en… we babbelen wat door over het weer en dan zegt ze: ‘Holanda, u komt uit Nederland hè?’ Ze hoort het aan mijn accent, zegt ze en dat herkent ze omdat ze drie jaar in Nederland heeft gewoond. In Koik, Kuuk? Cuijk, zeg ik. Oké Koik. Ze is een en al lof over Nederland en bijgestaan door haar man die steeds verder over haar heen komt hangen vertelt ze over het geweldige Nederland. Daar verdiende zij in de fabriek 300 euro per week, ‘ja per week!’
Ze is alweer een tijdje terug in Portugal, Lissabon (heimwee, ze kon in Cuijk, tussen uitsluitend Turken, haar draai niet vinden) en kijkt uit naar de dag dat haar Nederlandse pensioen wordt uitgekeerd. Ik word over 3 jaar 65, zegt ze. Ik vraag of ze de actuele politieke discussie in Nederland over de pensioenleeftijd volgt en daar moet ze van giechelen. Ze moeten de pensioenleeftijd niet steeds verhogen zegt ze, want anders ben ik dood voordat de uitkering komt. Maar, zo nuanceert ze: mijn vriendin in Lissabon is 4 jaar ouder dan ik en die heeft hem al. Ze lijkt er hoop uit te putten dat ook zij haar Nederlandse pensioen daadwerkelijk zal ontvangen.
Ik denk weer aan vroeger. Maria Nácia was 22 jaar geleden 67 en had nul komma nul inkomen. Haar man van 75 ontving een pensioen van 400 euro en daar moesten ze het mee doen. Ik besloot eens te gaan informeren hoe het zat met Maria’s rechten in deze. En toen ik aan een plaatselijke advocate, die ik officieel raadpleegde, in haar kantoor dus en netjes op afspraak, Maria Nácia’s geval voorlegde sprak ze de gedenkwaardige woorden: jazeker, ze heeft recht op een ouderdomsuitkering, maar dat wil nog niet zeggen dat ze deze ook krijgt.
Ook mijn nieuwe vriendin is kennelijk doordrongen van dit gapende gat tussen recht en praktijk. Maar over Nederland nog steeds niets dan goeds. Ik had daar een baan, zegt ze. Geen werk, maar een baan!

19 juni – Almoço (Lunch)

Met het jaarlijkse, inmiddels traditionele almoço met Rosário en Sérgio, Natércia en Manuel das Ovelhas probeer ik een brug te slaan naar het verleden. Of dat lukt? Voor de vier hierboven duidelijk wel want ze nemen voortdurend op samenzweerderige toon de voorbijgangers door, inclusief hun verre familie, waaronder het aantal overledenen een grote plaats inneemt. De meeste namen zeggen me weinig maar soms klinkt er een waarover ik denk te kunnen meepraten. ‘Protácio, o ja, die’, doe ik een duit in het zakje.’ Dat was een kleurrijke figuur die vaak zijn armen spreidde en uitriep: ‘oh Oceáno Atlántico’. Daar moeten ze om lachen dus herhaal ik de uitroep, nu nog wat meer overeenkomstig de welluidende toon van Protácio. ‘Ooooh, oceaaaano atlaaaanticoooo’. Ja dat herinneren zij zich, mijn disgenoten, maar ze hebben het alweer over ene tia Rosa Teresa, zo jong weduwe geworden. Die arme Manuel Cândido, god hebbe zijn ziel. Verdronken in de vissershaven waar hij een duik in die onmetelijke Océano Atlántico niet overleefde…
Op een gegeven moment zitten we alle 5 ons verhaal te vertellen en lopen vijf verhalen door elkaar roemloos ten einde. Het schijnt alleen mij op te vallen, of op zijn minst te deren want waar blijf ik nu, met de belangrijke vragen die ik me heb voorgenomen te stellen. Vragen over het hedendaagse Portugal. Hoe kijken zij daar tegenaan? Nergens, zo concludeer ik al gauw, althans niet hier en niet nu, en dus concentreer ik me op de lekkere hapjes op mijn bord… En ik schenk mijn glas nog eens vol met van die heerlijke Alentejaanse rode wijn.

Almoço met de doden

Hoe zou het zijn als mijn vrienden van indertijd hier zouden aanschuiven? Allereerst zou dat António moeten zijn,  in dit gezelschap, en misschien wel in het algemeen ‘tio António’ genoemd, oom Antonio. Hij komt grijnzend aanslenteren en gaat tegenover mij zitten. ‘Boa tarde a todos’ goedemiddag samen, zegt hij luid en hij schuift net zolang met zijn stoel tot er geen zonnestraaltje meer op valt. ‘Het is heet vandaag’ zegt hij ter verklaring.
Wat wil hij eten? Dat zou nog niet meevallen want we zitten in een modern restaurant, met weliswaar traditionele gerechten, maar op moderne wijze bereid. Voor António zou de feijoada com chocos, een origineel Alentejaanse bonenschotel met stukjes inktvis, dat we al besteld hebben, nog zeker een half uur moeten worden doorgekookt. Vijfentwintig jaar geleden zou dat geen enkel punt zijn geweest, elke restauranthouder, elke kokkin was António’s amigo en ze zetten de pan met liefde nog een poosje op het fornuis.
‘We hebben ook migas’ zegt de jonge restauranthouder. ‘Is het vlees (dat er o.a. in zit) mals genoeg voor mijn tanden, denk je?’ Vast wel knikt de eigenaar van het restaurant en dus wordt het migas voor António. Voor haar ook, zegt hij, met een schuine blik naar zijn vrouw Maria Nácia die haar gebit niet in heeft.
Maria Nacia knikt ernstig. ‘Ja ik heb mijn tanden niet in’ zegt ze ‘ze zijn niet meer zo sterk en ik moet er dus zuinig op zijn’.
Op de drempel van het terras staat een sjofele figuur te drentelen, het is Zé Pedro, de oudste dode die niet mag ontbreken. Daarbij moeten we even Rosário en Sérgio wegdenken want die houden niet van die vage figuren die zich bezighouden met drugs en die de meeste dagen ongewassen en ongeschoren door het leven schuiven. ‘Olá Zé Pedro’ zeg ik, ‘kom erbij’, terwijl ik een stoel erbij trek.’ Op dit moment besluit ik dat we met zijn allen een grote pan ‘arroz de polvo’ aan het verorberen zijn want anders krijg ik Zé Pedro niet binnen. ‘Hier Zé, een bord arroz de polvo’. Mompelend komt hij in beweging en gooit zich in de meest nabije stoel. Natércia lacht hem vertederd toe en komt overeind om een flink bord voor hem op te scheppen. Witte wijn, rode wijn? Of misschien een pilsje? Het is allemaal goed voor Zé Pedro die al diep over zijn bord hangend met een lepel de geurige substantie naar binnen schuift.
Tijd voor de volgende gast, mijn trouwe kameraad Manuel. Manuelito noemen de ouderen hem, ter onderscheiding van al die andere Manuels. Dat klinkt vertederd en zo is het waarschijnlijk ook begonnen. De kleine Manuel moet een plaatje geweest, met zijn krullen en zijn grote bruine kijkers. Maar vertederd is men allang niet meer door hem. Hij is uitgegroeid tot de klaploper van het dorp, wiens belangrijkste activiteit is, naast drinken en roken: ‘ver o mar’, naar de zee kijken. Al een keer of drie is hij langs komen lopen en deed hij of hij ons niet zag. De vierde keer roep ik hem dan maar. ‘Olá Manuel, tens fome, heb je honger?’ Hé, doet hij, zit jij daar, goh zeg. Hij zweeft naderbij en licht het deksel van de pan op: arroz de polvo, daar lust ik wel een bordje van. Met een schuin oog naar Rosário komt hij naast me zitten, zal zij hem wel tolereren? Hij gebruikt geen drugs maar hoe vaak zal hij zichzelf wassen? Rosário kijkt de andere kant op, die heeft hier niets mee te maken… En Manuel pakt de wijnfles en schenkt zichzelf een glaasje in. A nossa, zegt hij, proost. ‘Dat onze vrouwen maar geen weduwen mogen worden’, antwoordt António en heft zijn glas. António die al rode koontjes heeft gekregen, waardoor zijn ogen nog meer lijken te twinkelen, heeft zijn bord leeg, op een paar stukjes na. ‘Taai’, zegt hij misprijzend en schuift zijn bord van zich af. Hij accepteert de wijn die Manuel hem wil bijschenken met een gebaar van: vooruit dan maar. Of tia Maria ook wijn wil? Nee steekt António hier een stokje voor. Dat is niet goed voor haar. Sumol drinkt ze, frisdrank.
Komt Henrique ook hier eten? vraagt Zé Pedro. Van Henrique was hij indertijd zo goed als afhankelijk voor wat centen en een joint. Of hij ook sterker spul leverde? Manuel dacht van wel maar ook hij wist het niet zeker. Henrique is intussen een keurige huisvader en als hij ooit gedeald heeft dan is dat nu zo goed als zeker verleden tijd. Dat was me wat als Zé Pedro met een gezicht als een oorwurm, want met frisse tegenzin, een klusje had gedaan voor Henrique, no monte, het buitenverblijf van de familie. Hij was daarna dagenlang in de weer om zijn beloning te ontvangen. Een kop soep kon hij krijgen, in het café, of een stuk brood met worst, en zelfs een pilsje. En Zé Pedro maar hengelen naar de echte beloning. Henrique was indertijd een notoire voor-zich-uitschuiver, dat weet ik uit eigen ervaring. Ik heb eens een hele dag in the middle of nowhere vastgezeten in het mulle zand, met mijn bus dus, wachtend op Henrique, die ‘eraan kwam’.
‘Wat is dit voor water’, moppert António, die kennelijk genoeg wijn gedronken heeft. ‘Er zit geen smaak aan’.‘Van de intermarché waarschijnlijk’, zegt Rosário en António kijkt haar niet begrijpend aan. Sérgio,  Natércia en Manuel das Ovelhas helpen Rosário aan António uit te leggen dat het water uit de bronnen niet meer te drinken is en… ‘Niet meer te drinken, hoezo?’ zijn gezicht is een en al ongeloof. En dus vertellen wij over de kassen die het grondwater vervuilen en over de supermarkten waar een 5 liter fles water tussen de 60 ct en 2 euro kost.
Ergens halverwege haakt António af. Hoe leg je ook aan iemand, die zijn hele leven op de vierkante meter aardappels, groente en fruit heeft verbouwd, uit wat een kas is, en dan ook nog een kassencomplex? En die bij de plaatselijke mercearia, kruidenier, tevens winkel van sinkel, grote zakken zout kocht en suiker en meel…maar wáter?!

20 juni A vila onde cabe o mundo

Het stadje waarin de (hele) wereld past-Hongerig en bezweet van een dagje onderweg, zet ik in Olhão met bergen Nederlandse schaamte, op Portugese wijze mijn busje pal voor de deur van restaurant ‘Baratão’ hetgeen betekent ‘heel goedkoop’ en dat zal blijken zijn naam eer aan te doen. Terwijl ik zit te smullen van een voortreffelijke bitoque (met heerlijk varkensvlees van de houtskoolgrill), begint op de tv een reportage over ‘mijn’ Nepalese mannen. ‘A Vila onde cabe o mundo’ (het stadje waar de wereld inpast), uitgezonden door SIC, gaat over de buitenlanders in ‘mijn’ regio. Zoals de titel al suggereert, is het een soort lofzang op de gemeente Odemira die talloze nationaliteiten herbergt. Ik zie en passant dat onder hen 11.000 Nepalezen zijn, ‘werkzaam in de landbouw’. Ook de Nepalese socioloog, die in beeld verschijnt, werkt in ‘de landbouw’. Er komen meer getallen voorbij. Afgelopen jaren zijn ter plekke 9000 verblijfsvergunningen afgegeven, 40% van de schoolkinderen in S.Teotónio is van buitenlandse afkomst. Behalve Nepalezen, worden Indiërs genoemd, Bulgaren en Oekraïners. Ze zijn onmisbaar voor de economie van de regio, zo hoor ik. Enige probleem vormt de huisvesting.
De lokale bevolking klaagt over het gebrek aan woonruimte. Er zijn al straten waar uitsluitend buitenlanders wonen en er zijn plannen in ontwikkeling voor semipermanente woningen. Aan het woord komen de presidente da Freguesia van S.Teotonio, o presidente da Camera de Odemira, een schoolhoofd en een lerares Portugees.
Uit de reportage maak ik op dat er hard gewerkt wordt aan de oplossing van de praktische problemen die de komst van zoveel nieuwe bewoners met zich meebrengen. Er wordt kennelijk hevig geïntegreerd. Emoties zie ik niet, behalve bij sommige nieuwkomers die met blije gezichten vertellen over hun (grotendeels voorbije) aanpassingsproblemen. En trots zie ik ook, de jongste telg van het gezin spreekt namelijk al vloeiend Portugees!
Meningen hoor ik ook niet, laat staan kritiek. Over achtergronden wordt met geen woord gerept en wat ‘agricultura’ in dit geval inhoudt wordt niet toegelicht. Ik denk terug aan Manuel, de baas van het campingcafé in Zambujeira, die in Brejão bleek te wonen, het epicentrum van de ‘agricultura’. ‘Op dit moment wordt de regio rijker’ zei hij, ‘maar wat dit op de lange termijn betekent? Denk eens aan de grondvervuiling, de uitlaatgassen, de conditie van de wegen…Hij schudde ongerust zijn hoofd.

21 juni Hoe gaat het met Portugal?

Ik word vroeg wakker en stel tevreden vast dat ik me bevind op een van mijn favoriete campings, die van Monte Gordo, in het uiterste zuidoosten van het land. Nog even en dan stap ik op de fiets voor een ontbijt bij pastelaria Guadiana Foz, in Vila Real de Santo António, 10 minuutjes van hier. Het is misschien al warm genoeg voor een plekje op het terras, met uitzicht op Spanje aan de overzijde van de rivier.

Dit is een camping naar mijn hart: groot, onoverzichtelijk, zanderig, rommelig, en … met een portier voor dag en nacht. Het gaat er gemoedelijk aan toe. Melden bij komen en bij gaan, en verder: ‘zoek maar een plekje, kijk uit voor het zand, voor je het weet is je bus erin vastgelopen. Hier en daar is warm water in de douches, je komt er vanzelf wel achter. En een zwembad, restaurant, kampwinkel, het is er allemaal, maar nu even niet open’. Waarom niet? Daarom niet. Echt Portugees!

Ik weet het, ik loop rond met een romantisch beeld van wat typisch Portugees is. Eenvoud, ruimte, tolerantie, en morgen is er weer een dag. Zandwegen en smalle straatjes om in vast te rijden, ezels en varkens als huisdieren, hangend met zijn allen over de balie van het postkantoor, ziedaar ‘mijn’ Portugal tussen 1990 en 2010. Ik werd overrompeld door de gastvrijheid, door de gulheid van de armsten der armen, door hun vermogen elke gelegenheid aan te grijpen om van het leven een feestje te maken. En ja, beschamend is het ook, zo gelukkig te worden van andermans misère…

De liefde op het eerste gezicht was overigens niet rimpelloos. Al die keren dat ik op het verkeerde been werd gezet, omdat ik meende een afspraak te hebben bijvoorbeeld of wanneer iemand me, precies op het moment dat ik in de brandende hitte op mijn laatste benen liep, de verkeerde kant op wees, ben ik heus niet vergeten.

Maar juist op die manier is tot me doorgedrongen dat er altijd weer een andere woensdag om 10 uur komt en dat een bezoek aan het gezondheidscentrum of het ziekenhuis me de gelegenheid biedt urenlang onder de Portugezen te verkeren, me te laven aan hun vriendelijkheid en me te verbazen over hun eindeloze geduld. Hoe anders had ik er plezier in gekregen de verschillende manieren te onderscheiden waarop men in Portugal ‘ja’ zegt? Het heeft een hele tijd geduurd voordat ik doorhad dat het hier not done is een verzoek te weigeren of toe te geven dat men iets niet weet. ‘Não’ bestaat dus niet, als het ware. En het heeft nog langer geduurd voordat ik hiermee om kon gaan. ‘Weet u waar ik een krant kan kopen?’ ‘Jazeker, alsmaar rechtdoor en achteraan links’. Als een echte Sherlock Holmes analyseer ik dit antwoord en de bijbehorende lichaamstaal en besluit: oké, deze man weet waar hij het over heeft of: toch nog maar even aan een ander vragen.

Dit is mijn Portugal en laat ik het maar toegeven, ik wil het liever houden zoals het is. Ireëel, zeker, want ook Portugal stoomt op in de vaart der volken en inmiddels zijn de veranderingen onmiskenbaar. Neem de dorpen en stadjes die ik tegenwoordig bezoek. In oude stijl gerestaureerde huizenrijen sieren daar de centra. De krottenwijken zijn grotendeels verdreven. Je weet wel, van die steegjes waar men leeft op de vierkante meter, binnen en buiten en rond het café annex minimercado op de hoek. Waar de was wappert aan lange lijnen en de vrouwen zelden haar schort afleggen. Langs de spoorlijn ‘maak je nog kans’ er een te vinden of bij de vissershaven maar vele zijn inmiddels met de grond gelijk gemaakt.

De gerestaureerde centra van dorpen en stadjes lopen veelal uit in korte straatjes met splinternieuwe villa’s, ogenschijnlijk willekeurig neergepoot en beschermd door een witgekalkte stenen omheining. Tot aan de dubbele garagedeuren is de weg geasfalteerd, daarbuiten heerst het zand. De bewoners leven waarschijnlijk eenzelfde soort leven als villabewoners in Nederland. Voor hun boodschappen is er altijd een centro commercial, voor hun gezondheid de privékliniek. En voor zaken de connecties.

Ik lees het succesverhaal van Mouraria, een voormalige sloppenwijk in Lissabon.
Alex Tieleman vertelt in Trouw van 17-3-2019 dat António Costa, de blijmoedige minister-president van Portugal, deze voormalige sloppenwijk, die met veel subsidie is omgetoverd tot een gewild uitgaanscentrum, met een bezoek heeft vereerd. ‘Kijk’, zo moet hij geglunderd hebben: ‘de crisis is bezworen. Ziehier de vooruitgang, Portugal zit in de lift’.
Costa, de socialistische premier van Portugal, internationaal geroemd om zijn opmerkelijke bezwering van de crisis van 2008.
‘Kom op’ moet hij tegen Rutte gezegd hebben die begin april 2019 in Lissabon op bezoek was en kritische vragen stelde bij de 12 miljard die China de afgelopen jaren in Portugal heeft geïnvesteerd. ‘Laten we onze blik naar buiten richten, wat schiet je op met protectionisme? Kijk naar ons: we zijn de crisis glansrijk te boven gekomen, onze staatsschuld is opzienbarend teruggedrongen, de werkeloosheid gedaald, wat wil je nog meer? Natuurlijk, China vaart hier wel bij, maar wij ook! Een win-win situatie, toch?’

En, noem het irrationeel, ik ben trots op António Costa die er op zijn minst in slaagt zowel China als Europa te vriend te houden… Ik lees kwalificaties als ‘het Miami van Europa’ (Jos van Dijk op 10 mei 2019 op het weblog Sargasso) en zo jubelt de Volkskrant op 4-10-2020: ‘linkse wonderdokter António Costa toverde Portugal om in een baken van stabiliteit’. En uit de mond van Frans Timmermans noteer ik: ‘António en zijn regering wijzen ons de weg’. En dat terwijl in 2012 de crisis in Portugal nog uitzichtloos genoemd werd (Carlijne Vos in de Volkskrant van 20-10-2012)

Dus… Portugal doet het goed, met Costa aan het roer. Mag ik dan van hem, meer dan van bijvoorbeeld een liberale regeringsleider, verwachten dat hij oog heeft voor het geluk van de ‘gewone mensen’? In Mouraria bijvoorbeeld. Ik google en ik zie schilderachtie, hellende straatjes, trappetjes, bankjes, kleurrijke gevels en ik lees over het multiculturele karakter van deze oude Morenwijk en over het behoud van historische plekjes. Over fadohuizen naast eethuisjes uit alle hoeken van de wereld.
En ik denk: wat is er geworden van de oorspronkelijke bewoners? Hebben zij en masse een plekje gevonden in ‘het toerisme’? Of zijn zij uitgeweken naar andere, betaalbare buurten?

Is het een wet van Meden en Perzen dat ontwikkeling gepaard gaat met een toenemende kloof tussen arm en rijk? Nico Kussendrager citeert in Trouw van 4-2-2020 uit het jaarlijkse rapport van Oxfam Novib: de rijkste 1% van de wereldbevolking bezit twee keer zoveel vermogen als de overige 6.9 miljard mensen samen. Zoals veel mensen heb ik de neiging verontwaardigd mijn hoofd te schudden maar ik lees nog even door. ‘Dat rijken steeds rijker worden betekent niet dat armen armer worden. 
… In 1990 leefde ruim vier op de tien wereldbewoners in extreme armoede, in 2019 één op de tien….’ Dit lijkt mij, economisch een verstokte leek, een pleidooi in de notedop voor wat ik de groeieconomie noem. Rijke ondernemers kopen de halve wereld op, creëren banen… maar gaan er zelf met de grootste poet vandoor. 

Zou het niet ‘rechtvaardiger’ zijn als de enorme winsten zouden worden ingezet voor het algemeen belang? In het geval van Portugal denk ik dan aan de infrastructuur, waarbij ik niet op de eerste plaats het toerisme, maar eerder het basisonderwijs, de publieke gezondheidszorg, de rechtsgelijkheid en bestaanszekerheid voor ogen heb.

Dus, Portugal mag zich van mij wel ontwikkelen als dat maar eerlijk en rechtvaardig gebeurt?
En ‘mijn Portugal’ dan?
Ik weet het, ik ben een verwende Noord-Europeaan die zich vergaapte aan het exotische, lees arme Portugal. Die, met een Nederlandse bankrekening achter de hand, niet ophield te genieten van de Portugese eenvoud, de hartelijkheid en gastvrijheid. Voor mij was (en is) Portugal een toevluchtsoord van ruimte, ongereptheid en menselijke warmte. Als vrouw, als oudere, ik ervaar in Portugal het respect dat ik meen te verdienen.

Maar natuurlijk, ik gun mijn Portugese vrienden van harte een beter leven. En is dat niet wat Costa op het oog heeft als hij de grenzen opent voor buitenlands kapitaal en vluchtelingen als arbeidskrachten verwelkomt?
‘Maar…’ hoor ik vriendin B. zeggen, die de mooie gewoonte heeft verder te kijken dan haar neus lang is:  ‘… zorgelijk vind ik de uitverkoop van landerijen en villa’s. En de rücksichtloos groeiende toeristen-industrie. Kom maar binnen. Lissabon is zowat nu al in handen van particuliere eigenaren die de boel verhuren aan toeristen. Het pleintje waar ik vaak woonde (Largo do Menino de Deus) heeft bijna alleen nog maar toeristen-appartementen….’

We voerden een geanimeerde mailwisseling nadat we op 9-2-’20 de aflevering over Portugal van ‘In Europa’ op tv hadden gezien: ‘De krekel en de mier’.
We gniffelden over het succes van de ‘factura da sorte’ een manier om de middenstand tot het afdragen van btw te bewegen. We deelden onze trots van Portugalfan over de eigenzinnigheid van de politieke koers van Portugal binnen Europa. Maar we schudden ook bezorgd ons hoofd over de massale uitstroom van hoogopgeleide jongeren naar het buitenland. Heeft Costa niet een programma aangekondigd om deze jongeren terug te lokken naar het land? Hoe wil hij dat doen, zolang het minimum loon slechts 635 (750 voorzien in  2023) euro bedraagt…

In oktober 2019 stuur ik naar aanleiding van de verkiezingsoverwinning van Costa c.s. de volgende brief naar de Volkskrant. Een aardige weergave van zowel mijn euforie als van mijn zorgen, al zeg ik het zelf 😉

Aan de Volkskrant oktober 2019
Ik ben in de gelukkige omstandigheid dit prachtige najaar door te brengen in mijn sinds jaar en dag geliefde Portugal. Dankzij drie mooie artikelen van Maartje Bakker in deze krant weet u dat Portugal gisteren naar de stembus is gegaan om een nieuw parlement te kiezen en dat de Portugese socialisten glorieus hebben gewonnen. Vandaag jubelt mijn lokale krant. En mijn hart jubelt mee, ik kan het niet anders zeggen. Als je António Costa, socialistische minister president, gisteren en morgen dus weer, op het scherm ziet verschijnen, kun je niet anders dan van hem houden. Relaxte houding, glunderend gezicht, stralende ogen, gloedvolle betogen vol idealen van gelijkheid en broederschap, ik word er blij van, steeds weer. Voor mij representeert hij het beste dat Portugal te bieden heeft: warmte, beminnelijkheid, alegria, oftewel in ‘goed Nederlands’: joie de vivre.
Mijn pogingen de vreugde te delen, in het café waar ik de kranten inkijk, ketsen af op norse blikken en opgehaalde schouders. ‘Politici deugen niet, ze doen nooit wat ze beloven’. ‘Stemmen, ik? Waarom zou ik, dat haalt toch niks uit’.
En ja, de realiteit is dat slechts 50% van de Portugezen is gaan stemmen. En ik vrees dat de thuisblijvers niet behoren tot het meest tevreden deel van de natie.
Hoe zit dat in elkaar, vraag ik me voor de zoveelste keer af. Hoe valllen de Europese loftuitingen: – Portugal heeft zijn nationale begroting op orde, dankzij een politiek van uitgeven in plaats van bezuinigen, – Portugal uit zijn as verrezen, – Portugal wijst ons de weg naar het einde van de tunnel, – Portugal gidsland van Europa, te rijmen met de niet aflatende stroom van berichten over de malaise in de basiszorg, de klachten uit het onderwijsveld, de onverkwikkelijke corruptieschandalen in politiek en bankwezen die stuk voor stuk jaren aanslepen?
En waarom klagen de mensen om me heen over de regering ‘die niets voor ze doet. Die ze laat voortploeteren om het hoofd boven water te houden’?
Waarom aarzelen mijn jonge Portugese vrienden om een gezin te stichten, in de overtuiging dat ze de opvoeding niet kunnen bekostigen?
Wie het weet, mag het zeggen.

Monte Gordo

Via de aloude N 125 ben ik naar het oosten gereden en neergestreken op de camping van Monte Gordo. Die N 125, ligt als stralend teken van vooruitgang, althans tussen Lagos en Faro, te pronken in de zonneschijn. Het wegdek glad, afslagen via rotondes, je waant je in de buurt van, pakweg Apeldoorn. Maar eenmaal Faro voorbij hobbel je weer ouderwets voort over diezelfde N 125.
Bijna bij Vila Real de Santo António, de meest zuidelijke grensplaats met Spanje, ben ik afgeslagen naar Monte Gordo, een uit de kluiten gewassen vissersdorp, zoals vrijwel alle badplaatsen van enige betekenis. Er is een piepklein centrum, te herkennen aan de kinderkopjes en aan de oude huizen, allemaal verschillend van elkaar, inmiddels echter afgewisseld met appartementencomplexen en hotels, die het zonlicht uit de straatjes verdrijven. Een krottenwijk heb ik er niet gezien. Of het moet aan de rand van de duinen zijn, waar langs een recent aangelegd fiets- en wandelpad nog wat onduidelijke hutten staan. Sommige daarvan zijn opgeschilderd en voorzien van een parasol en tuinstoelen, wat moet betekenen dat ze te huur zijn voor toeristen. 
Overal waar je komt, word je trots aangesproken in het Engels, en vervolgens chagrijnig te woord gestaan. Totdat je iets gekocht hebt, dan blijken de mensen ook hier nog charmant te kunnen lachen en zelfs bereid tot een praatje in het Portugees. Het dorp ligt in zijn hele lengte aan zee. Er is een enorm zandstrand dat momenteel uitsluitend nog toegankelijk is via lange houten wandelpaden, (passadiços probeer ik te onthouden) dwars door en dwars langs de duinen. Er is daar een tweede boulevard ontstaan, met identieke strandpaviljoens, alles in hout. Zelfs de vissersboten lijken verder weg te liggen…

24 juni Fietsen rond Vila Real de S.António

Om 6 uur staat de zon nog vrij hoog aan de hemel en ik stap op mijn fiets voor een rondje in de omgeving. Ik rijd zoals gewoonlijk mijn neus achterna en raak na een uurtje verzeild bij het spoorwegstation van Vila Real de Santo António, het eindpunt van het boemeltje tussen Faro en ‘a Vila’. Fim da linha staat er gekliederd op een steen. Het stationnetje ziet er onooglijk uit, en de buurt waarin het zich bevindt biedt een verwaarloosde aanblik. Geen bloeiend treinverkeer hier, dat zie je zó. Ik besluit de spoorlijn te volgen met de bedoeling uit te komen bij het stationnetje van Monte Gordo, al even obscuur, hetgeen verklaart dat ik nog steeds de ligging ervan niet heb achterhaald. Daar ga ik dus nu iets aan doen.
Het eerste stuk fiets ik monter door hobbelige straatjes, gevolgd door hobbelige weggetjes die zigzaggend keer op keer de spoorlijn kruisen. Het is wat omslachtig, maar ik meen de masten langs de ‘linha’ , de spoorlijn, nog steeds in het vizier te hebben. De weggetjes worden al smaller, en zanderiger en mijn fiets begint te protesteren, mijn e-bike houdt niet van zand. Ik rijd langs stoffige, bij tijd en wijlen naar vuilnisbelt riekende lapjes grond, met hier en daar een optrekje dat ooit met liefde moet zijn neergezet, omdat iemand dat nuttig achtte. Steeds vaker zijn de terreinen afgezet met gaas en prikkeldraad en hier en daar ligt ook weer een stukje wegdek hetgeen ik opvat als een aanmoediging om door te rijden. Een hond springt grommend en vervolgens luid blaffend tegen de omheining op, gelukkig aan de binnenkant van een terrein dat bij een fabriekje lijkt te horen. Geschrokken fiets ik door. Een wollige hond met grijze krulletjes komt uit een zijweggetje en loopt behoedzaam langs me heen. Dezelfde behoedzaamheid die mij intussen heeft beslopen. Een kleine honderd meter verder staat een zwarte gladde hond me op te wachten en ja, hij gromt al. Ik fietst door met opeengeklemde kaken en mijn linkerbeen in de schopstand. Woef woef, hij draaft even met me mee en ik trap in de lucht achter me en kan al opgelucht adem halen.
Het is jaren geleden, dat ik dag in dag uit had te kampen met loslopende honden. In de jaren ’90 werd vrijwel elke fietstocht er ernstig door ontregeld. Maar tegenwoordig zijn ook in Portugal de honden aangelijnd, lopen de mensen met plastic zakjes achter ze aan en dragen ze soms lachwekkende jasjes. Bovendien zijn de honden gewend geraakt aan fietsers, indertijd nog een zeldzame verschijning. Aldus mijmerend fiets ik door. Een paar honderd meter verder houdt de weg op bij een groot hek dat is afgesloten met twee roestige hangsloten. Ik moet terug, er zit niets anders op, en … heeft de hond dit geweten? Hij staat midden op de weg, me op te wachten, zo lijkt het, maar het valt mee. Rustig maar, rustig maar, mompel ik, woef zegt hij en keert zich van me af. Met een nieuwe zucht van opluchting rijd ik een bestrate zijweg in en mijn blik zoekt de ruime omgeving af naar de spoorlijn. Die in geen velden of wegen te bekennen is… Nou ja, eerst maar eens terug naar de bewoonde wereld.
Nee! Ook deze straat loopt dood op weer een enorm hek met roestige sloten. Op mijn schreden teruggekeerd, met lood in mijn wielen, staat zwarthond er weer, vergezeld nu van de eerdere grijzige krullebol en ze staan midden op de driesprong. Het ziet er uit als afgesproken werk, zoals die twee grote beesten daar stilletjes naar me staan uit te zien. Ik heb geen keus, zo houd ik mezelf voor en ik fiets ‘gewoon’ door, rechts af, naar Vila Real dan maar weer. ‘Kalm, kalm’ murmel ik weer. Woef woef, waf waf, en ik ben ze voorbij, maar vervolgens spurten ze me verwoed blaffend achterna. Dit is een asfaltweg, godzijdank, en met de e-bike op turbo ga ik er vandoor.
Al gauw bevind ik me in de westelijke uitloper van de stad en ik besluit alsnog op zoek te gaan naar het stationnetje van Monte Gordo. Daartoe moet ik de drukke toegangsweg oversteken en daar sta ik dan, in een soort geul in de weg waarin ik de fiets al voel wegglijden. Daar is een gaatje in de verkeersstroom en ik probeer de fiets met me mee te sleuren, de weg op en over. Maar dit laat hij niet gebeuren. Topzwaar helt hij over en ik verlies mijn evenwicht, met fiets en al val ik op het gruizige wegdek. Mijn rechtervoet zit klem en het lukt me maar net het ding overeind te sjorren en de stoep op te slepen. Uit mijn linker scheenbeen gutst bloed en ik voel het warme vocht in mijn schoen lopen. Toet toet, doen de auto’s waaronder zelfs een ambulance met zwaailicht, en geschrokken zie ik de rij auto’s rakelings langs het hangslot van mijn fiets razen. Dat is samen met mijn handtas uit het fietsmandje gesprongen en beide moet ik daar weghalen. Maar eerst nog moet ik me ontdoen van die zware e-bike waar ik opeens een hekel aan heb.
Wanneer ik dan toch alles bij elkaar gegrist heb, sta ik met een nog hevig bloedend been op de stoep. Het huis aan de overkant ligt er met zijn gesloten luiken als doof en blind bij. Ik verlang naar zo’n behulpzame Portugees die een blik werpend op mijn been tegen zijn vrouw zou zeggen: Maria, doe er wat aan. De wond op mijn been bloedt niet alleen maar zit ook flink onder het vuil. Waar vind ik een dokter, een verpleegster, iemand van de EHBO? Ik besluit in de stad op zoek te gaan, nog maar even met de fiets aan de hand. Ik speur de omgeving af naar de grote H van hospital, want ik meen te weten dat er in deze stad een ziekenhuis is. Overal in het land wijzen enorme H’s naar o Hospital, maar hier is geen H te bekennen, ook niet bij de rotonde waar ik na enige tijd bij uitkom.
Nog voor ik iemand kan aanklampen zie ik een groen kruis flikkeren in de avondzon: een apotheek. Zal die open zijn? Op zondagavond, om half 8? Met de bedoeling daar te vragen naar ‘iemand om mijn wond te verzorgen’ blijk ik precies op de juiste plek te zijn: een van de meisjes achter de balie neemt me mee naar een kleine behandelkamer en ze verzorgt mijn been of ik haar eigen moeder ben. Eind goed al goed. Al weet ik nog steeds niet waar het station van Monte Gordo ligt.

9 juli – Gestrompel

– in Alpiarça –
Wat dat toch is vandaag. Ik fiets wat rond door Alpiarça, doe een paar boodschappen en overal waar ik kom, lijken mensen voort te strompelen, kromgetrokken en met een stok, of gewoon zonder stok, in scootmobielen en rolstoelen waar ze zich uitwurmen om een winkel in te gaan of om bij de supermarkt iets uit de schappen te halen.
Een politieagent reikt een oude heer zijn arm, zodat ie veilig het stoepje van het postkantoor afkomt. Daarna duurt het nog een hele poos voor hij weer in zijn scootmobiel heeft plaatsgenomen.
‘Kan ik helpen?’ vraag ik aan een vrouw in de supermarkt, die zich zojuist heeft laten terugvallen in haar canvas rolstoel en nu zuchtend en steunend zit te kijken naar het groente- en fruitvak. ‘Nee zegt ze, maak mijn benen maar beter, ai ai.’
Een oude dame met een stok, een stuk boomtak zo te zien, strompelt geroutineerd langs een lange bloedhete straat, zonder enige schaduw en ik hoop voor haar dat ze heelhuids arriveert waar ze wezen wil. Hoewel zij waarschijnlijk heel goed weet wat ze doet. Misschien zelfs maakt zij zich zorgen om mij die met blote armen en benen en zonder hoofddeksel, midden op de dag door de zonovergoten straten fietst.

13 juli – Cascais en zo

Als we Cascais verheffen tot de maat der dingen, gaat het fantastisch met Portugal. Paleizen van hotels met enorme tuinen, golfbanen als hele dorpen, futuristisch ogende appartementencomplexen, mondaine winkels en galeries, mondaine café’s en restaurants. En mondaine mensen, veel mondaine mensen. Geld moet rollen en dat doet het hier, dat zie je zo. Ze ligt er van een afstandje prachtig bij, deze stad van ruim 200.000 inwoners, tegen de kust op gebouwd. Hoge masten in de ruime haven. We bevinden ons 120 km ten westen van Lissabon, nog net aan de zuidkust en de stad ligt wit en schilderachtig te pronken in de zon. Waag je je erin, (zoals ik met de fiets) dan is het een heksenketel. Om de stad op waarde te schatten zou je er een tijdje moeten verblijven maar zoals vrijwel altijd en overal: de drukte schrikt me af. Toch slaag ik er nog gauw even in mezelf vast te fietsen in een hooggelegen wijk waar water via bovengrondse leidingen naar krotachtige woningen wordt geleid, in doodlopende straten, waar de bewoners me verbaasd aanstaren. Hier is de glans en glamour nog niet doorgedrongen.
Hoe boeiend ook, ik fiets liever eindeloos over het lange fietspad langs de kustweg en neem de bocht van zuid naar west, waar ik keer op keer bijna met fiets en al word weggeblazen door hevige windvlagen. Een rode vuurtoren, die aangeeft dat ik op de helft van mijn route ben, om de zoveel kilometer een klein strandje, een parkeerplaats met een restaurant, zo te zien in een oud verdedigingswerk. En er staat ook nog een dergelijk bouwwerk in de steigers. Aan de overkant van de zeeweg fiets ik langs een heuvelachtige leegte en een paar onbeholpen afslagen het land in: naar een hotel, een resort, een golfterrein.
En de camping. Er is er maar één in deze streek en het is er druk. Na wat rondtoeren op de verschillende delen van de camping, waar volgens de receptie nog plaats genoeg is, installeer ik mijn bus aan het uiterste randje, op wat eigenlijk een parkeerplek voor auto’s is. Een behulpzame Portugese buurman leent me een wielverhoger zodat ik mijn bus kan rechtzetten ‘omdat ik anders mijn bed uitrol’. Wat lijkt de camping in Alpiarça, waar ik deze ochtend heb uitgecheckt, nu al ver weg. Daar had ik, na weliswaar een druk weekend vol jongelui die meededen aan een wielerwedstrijd, vanaf zondagavond zo’n beetje een heel bos voor mezelf alleen.Ik stond er in alle rust onder vlammend rode kurkeiken, de hele dag verzekerd van schaduw. Maar… het weerbericht voorspelde 42° en op mijn programma stond nog Sintra waar ik over een week een nichtje zou ontmoeten. Tot mijn verbazing  werd daar slechts 25° verwacht. En zo ben ik de volgende dag verhuisd van een brandend heet Alpiarça naar de aanmerkelijk koelere westkust. Van mijn droomplekje onder de kurkeiken naar de parkeerplaats in Cascais. En ik lijd. Onder de drukte vooral, en onder de pinnige kampleiding, het avondvermaak met keiharde muziek en de jongelui in de nabije caravan die zich de hele dag vermaken met een joystick en daar enthousiaste kreten bij slaken. Én ik geniet. Van de vriendelijke sfeer op de camping, van de vakantierituelen van de Portugese families: lang uitslapen, in alle kalmte het middageten voorbereiden en vervolgens rond een grote tafel (ook hier met tafellaken) langdurig en rumoerig smullen, praten, lachen en soms een beetje zingen. De mannen buiken uit, de vrouwen wassen af en de kinderen spelen. Daarna stappen ze met zijn allen in een of meerdere auto’s. Op weg naar het strand, neem ik aan. Want ’s avonds hangen reeksen badhanddoeken en zwemkleding aan lange waslijnen te wapperen in de wind.
Ik heb het er twee dagen volgehouden, met dank aan het fietspad langs de kust. Toen ik bij toeval hoorde van een tweede camping, even ver van Sintra verwijderd, maar dan naar het noorden, heb ik meteen mijn boeltje gepakt. Een camping die noch op internet, noch met TomTom te vinden is, zoiets vind ik veelbelovend. 
Dus, op naar Ericeira!

23 juli Ferias

Portugal viert vakantie.
Op tv en in de krant zie ik de laatste berichten over het bestuur van het land: de nieuwe wet op de basiszorg is nog niet rond helaas en Operação Marques, gestart in 2014, gaat na het reces door. Het is een juridisch proces dat tracht de corruptie van hoge politici en banken boven tafel te krijgen of zoals anderen zeggen: onder het tapijt te vegen. Premier Costa doet beloftes: hij kondigt strenge maatregelen aan tegen huiselijk geweld: ‘de schande van de natie!’
Ik ondertussen stel me een kaart voor van Portugal, met in felgekleurde stippen de plekken waar de mensen wonen. Hoe meer stippen hoe meer mensen. Laten we ze blauw kleuren. Het blauw is inmiddels, het is 21 juli, opgeschoven naar het westen en naar het zuiden van het land, naar de schitterende, kilometerslange Portugese kust. Daar klonteren de stippen samen tot blauwe plekken die hier en daar zijn uitgegroeid tot langgerekte conglomeraties van een blauw dat bijna zwart is. Topzwaar moet het daar zijn. Met een beetje fantasie zie je Portugal opzij hellen en de zee in duikelen… Jammer dat José Saramago niet meer onder ons is, hij zou er een weergaloze roman aan kunnen wijden. De rijken en de grootverdieners verruilen hun villa’s voor hun tweede huis, met drie, vier generaties tegelijkertijd of in porties van 14 dagen na elkaar, of zij laten zich verwennen in een van de vele resorts. De werkende klasse uit de stad, de stadjes en de dorpen heeft zich al lang tevoren verzekerd van het huis van een familielid of van vrienden of van kustbewoners die inmiddels vrienden geworden zijn. Vaak immers keert men jaarlijks terug naar hetzelfde plekje, voor een vakantie van 14 dagen. De mensen in de kustplaatsen maken in juli en augustus graag plaats voor deze betalende gasten, ze verlaten tijdelijk hun eigen woning en trekken zich terug in een achterkamertje, een hut of in een optrekje elders op het erf. Inzoemend op die badplaatsen treft men overal hetzelfde beeld. In kleurrijke drommen trekt men rond een uur of 11, gestoken in korte broek of alvast in bikini, handdoek over de schouder, sloffend en klepperend op de onvermijdelijke slippers richting het strand. Vader draagt de parasol en de koelbox, moeder sjouwt met zware tassen, dochterlief achter zich aanslepend en de zoon fladdert al stuiterend met een bal om hen heen. Tegen het middaguur verschijnen de rookpluimen afkomstig van  vaak versgesprokkeld hout op de barbecues. Achter de huizen, naast de huizen, voor de huizen duiken ze op, met een zorgzame man erbij, wapperend met een blazer, in zijn kleurrijke outfit. Met de buurman die hetzelfde doet, onderhoudt hij al wapperend een levendige conversatie. Een dik uur later geurt het aan alle kanten naar geroosterde visjes en zie je lappen vlees gloeiend bruine korstjes krijgen.
We moeten even wat nauwkeuriger kijken. We zien hier de werkende klasse. De rijken immers verpozen zich aan hun eigen zwembad met een uitgekiende grill-installatie erbij. Daar roosteren ze dezelfde visjes en dezelfde lappen vlees, en ze zijn gestoken in dezelfde outfit, zij het misschien wat duurder in de aanschaf.
Het is eigenlijk moeilijk voor te stellen dat de mensen die in de ochtend met de koelbox naar het strand trekken een uurtje later aan de grill staan.. Zouden de strandgangers zich in ploegen verdelen? De ochtendploeg en de namiddagploeg? Of misschien ook blijft er iemand thuis om o almoço voor te bereiden, zodat de strandgangers rond één uur kunnen aanschuiven. Het zou meteen de aanzienlijk rustiger stranden verklaren tussen 1 en 4. Een derde vraag dringt zich aan me op. Wie zitten er intussen in de vele appartementencomplexen aan de kust? Veelal buitenlandse toeristen lijkt mij, maar waarschijnlijk ook jonge Portugese tweeverdieners, die hier genieten van een welverdiende vakantie.
De buitenlanders kunnen we nog even toevoegen aan onze kaart, met rode stippen en vlekken stel ik voor, voor zover daar tussen het blauw nog plaats voor is.
Portugal is niet echt een siësta-land, zoals bijvoorbeeld Spanje en Griekenland. Toch daalt ook hier vanaf een uur of 2 – 3 een soort rust neer over strand, straten en wegen: plaatselijke winkels sluiten, mensen zijn thuis, zitten na te genieten van een uitgebreid middagmaal, drinken nog wat, spelen met hun mobieltje of kijken naar de achtereenvolgende novelas. (soapseries).
Rond een uur of 5 uur begint het volle leven weer. Dan trekt men er op uit, en dat levert een enorme drukte op. Alle Portugese auto’s lijken dan van stal gehaald en razen over de wegen. Parkeerplaatsen lopen vol, terrassen puilen uit, supermarkten doen de allerbeste zaken. Ook het strand is voller dan ooit. Jongelui zonnebaden en minnekozen naast de parasol, kinderen spetteren joelend in de branding en ontelbare ballen vliegen in het rond.
Een tochtje naar een van de vele fraaie Parques de Merenda, vaak aangelegd op het schaduwrijkste plekje van de gemeente, is ook een optie. Een wandelingetje en een meegebrachte lanche (Portugees voor een vieruurtje, maar dan om 6 uur) aan een van de uitnodigende tafels onder de bomen, uiteraard met de hele familie (en met een tafellaken;-). Tot zonsondergang blijft het leven bruisen. Dan eet men nog een lichte maaltijd en begint voor sommigen het bed te lonken. Anderen begeven zich naar het plaatselijke festivalterrein, voor een biertje, wijntje en een dansje. Juli is de maand van de festas en festivals. Heiligenbeelden  worden vereerd, en veelal in processie door de straten gedragen, liefst rond zonsondergang. Plaatselijke lekkernijen liggen te lonken in lange rijen kraampjes. Festa do São Sebastião, festival das Sardinhas, ik noem er een paar die ik zojuist heb opgemerkt.
Een feest in Portugal is automatisch ook een uitgebreid eetfestijn waarvoor fraai gedekte tafels staan te wachten op de gasten die een tafel hebben gereserveerd. Keiharde muziek, veelal stromend uit apparatuur van erbarmelijke kwaliteit, lijkt de bezoekers niet in het minst te storen. En de kinderen al helemaal niet. Die springen en dansen op de muziek, tot aan de allerkleinsten toe, die met hun onbeholpen danspasjes de omstanders vertederen. Zo loopt voor ieder op gepaste wijze de dag ten einde.
Tot de volgende ochtend.
Als de zon op krachten komt en iedereen zo’n beetje wakker is, begint een nieuwe Portugese vakantiedag.

Vanaf hier verder uitwerken.

Cortegaça

Vrienden
Drukte op de camping

Brandstoftekort en familiebezoek


staking van tankauto”s van 11 tot 18 augustus

Van 18 augustus tot 25 september

Mijn voornemen de volledige zomer in Portugal door te brengen is mislukt en toch nog vrij laat ben ik naar Nederland gereden, op de vlucht geslagen voor de Portugese hitte en de niet aflatende vakantiedrukte.

September loopt ten einde en de herfst kondigt zich aan in de vorm van vergelende boomblaadjes en vlagen van die heel speciale herfstgeur.
Op internet zie ik een aankondiging van de tentoonstelling Território de Alqueva in Museu da Luz en ik bezwijk ter plekke voor het vooruitzicht van een Portugese nazomer.
Eenmaal in Portugal, haast ik mij linea recta naar Aldeia da Luz en vervolg ik mijn verhaal.

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *