-april 2015-
In het late voorjaar van 2015 beland ik, door mijn hang naar grensgebieden, in een bijzonder dorp. Ik sta op de kade van Mourão en kijk uit over het stuwmeer van Alqueva.
Wat groot! En wat een rust gaat ervan uit. Mourão, waar ik thee gedronken heb in zo’n typisch Portugees café: -twee tafeltjes voor de deur en zes stoelen – heeft me al vrolijk gestemd en ik wil hier wel een poosje blijven. Ik stap uit mijn bus en spreek een man aan die zijn hond uitlaat. ‘Is hier een camping in de buurt meneer?’ ‘Nee, maar u kunt rustig hier blijven overnachten hoor, hier aan de waterkant, não há problema.

Maar bent u al eens dáár geweest?’ Hij wijst naar een van de overkanten van de grillig gevormde watermassa. Een verrekijker zou handig zijn maar uiteindelijk zie ik toch wat witte vlekken in de late middagzon. En zo word ik op het spoor gezet naar Aldeia da Luz, gelegen in the middle of nowhere in het uiterste oosten van Alentejo, vrijwel in Spanje. ‘Er loopt maar één weg die kant uit, dus u kunt het niet missen. Gewoon Mourão uitrijden en bij de rotonde rechtsaf slaan. Na een kilometer of zeven ziet u een bord: Luz, rechtsaf.’
Nieuwsgierig geworden kijk ik de man aan. ‘Het is een spiksplinternieuw dorp, alles is dertien jaar geleden in één keer gebouwd.’ ‘Hoe dat zo?’ wil ik weten. ‘Toen is dit stuwmeer aangelegd en het oude Aldeia da Luz lag zo laag dat het onder water is verdwenen. ‘En de bewoners wonen nu met zijn allen in een nieuw dorp?’ ‘Precies’, zegt de man.
Het is al behoorlijk laat en ik heb nog geen slaapplek voor de nacht, niettemin besluit ik er ogenblikkelijk heen te rijden. Hier moet ik het mijne van weten!
Een kwartier later rijd ik het dorp in.
Drie of vier identieke vrij lange straten, met rijen identieke huisjes, Alentejaanse stijl, zonder verdieping maar opvallend breed en diep. Ik kletter met mijn banden over de kinderkopjes maar er zijn geen mensen om hiervan op te schrikken, de straten zijn verlaten, evenals een plein met een fonteintje in het midden en bankjes eromheen, kennelijk bedoeld als centrum van het dorp. Tot mijn verbazing zie ik een bord met een camper erop getekend en een pijl die naar links wijst. Zou ik daar kunnen overnachten? Aan de rand van het dorp is zowaar een camperplaats, met een rioolput en een waterkraan en ik nestel me met mijn kabouterbusje tussen de reuzencampers. Uit Frankrijk, uit Duitsland, uit Nederland. Ook een uit Portugal, zie ik.
Ik fiets nog gauw even het dorp in. Hobbeldehobbel over de keien en daar rijd ik alweer aan de andere kant het dorp uit. Resten nog zo’n 500 meter naar de oever van het meer. Onder bij het water vind ik een kerkje, waarvan ik later leer dat het een replica is van de kerk in het oude dorp. Het kerkje staat tegen het kerkhof aan en helemaal beneden, verdekt opgesteld, ligt een klein museum, waarin, zo lees ik op de deur, de geschiedenis van het dorp wordt verteld.
De volgende ochtend om half 10 gaat het museum open. Ik drink eerst een kop koffie in een van de drie café’s die er van buiten identiek uitzien, met hetzelfde trappetje voor de deur en hetzelfde piepkleine omweggetje voor rolstoelen en kinderwagens. En misschien voor rollators? ‘Ik heb gehoord dat dit dorp pas 13 jaar bestaat’, zeg ik tegen de eigenaresse die in Alentejaans tempo uma meia de leite, koffie-met-melk, voor me komt neerzetten. ‘Ik ben benieuwd hoe dat gegaan is. Kent u iemand die hier graag over vertelt?’ Ja, weet ze meteen, de overbuurman. Na de koffie wenkt ze me mee naar de overkant van de straat en klopt aan. Helaas, de buurman heeft hoofdpijn, dus vandaag liever niet. Ben ik trouwens een journalist? Nee, ik ben een nieuwsgierige voorbijganger. Oh.
Onderweg naar het museum vergaap ik me aan de openheid van het landschap. Eindeloze vlaktes rondom een grillig gevormd meer. De bebouwde kom van het dorp zie je makkelijk over het hoofd, ware het niet dat een grijsbetonnen watertoren, die in mijn herinnering wit zal worden, hoog boven de daken uittorent. Dit dorp is gebouwd op een lege vlakte zonder groen. In het dorp staan langs de straten en op het plein piepjonge boompjes hun best te doen om op te groeien en boven sommige schuttingen piept al paarse en rode bougainville uit.
In Museu da Luz tref ik vooral foto’s aan: foto’s van toen en foto’s van nu. En kaarten en plattegronden. Maar de meeste indruk maakt een film van een dik uur, gemaakt door een van de dorpsbewoners. Deze film, met de veelzeggende titel: ‘A minha aldeia já não mora aqui’ (mijn dorp woont hier niet meer), geeft een hartverscheurend beeld van een dorp-in-nood, zo zou ik het met gevoel voor drama, willen typeren. Beelden van de bewoners in hun oude omgeving, veelvormige huisjes en hutten aan kronkelweggetjes, eeuwenoude bomen in grote tuinen, waterputten en wasplaatsen. De mensen verbouwen er allerlei gewassen en je ziet ze in de weer met het rooien van aardappels waarbij de hele buurt meehelpt en met zakken vol naar huis tijgt. Er is een varkensslacht, er is een familiefeest, de doop van een nieuwgeborene.
We zien ook fragmenten van een sombere voorlichtingsavond waar de bewoners verslagen zitten te luisteren naar heren in pak met nog net geen stropdas. En met gladde praatjes. Het was natuurlijk heel triest dat ze moesten verhuizen maar ze zouden er flink op vooruitgaan. Een nieuw huis, stel je voor, met elektriciteit en stromend water en fantastisch geïsoleerd. En het dorp zal zoveel mogelijk identiek worden nagebouwd, slechts 3 km verderop. Met een spiksplinternieuwe geasfalteerde toegangsweg. Ze zullen blijven wonen naast dezelfde buren en hetzelfde adres behouden.
Een enkele vraag die de bedremmelde bewoners stellen, wordt met een ontstellend gebrek aan begrip en inlevingsvermogen beantwoord.
Je ziet vervolgens een katholieke afscheidsdienst, waarbij de voorganger het heeft over persoonlijke opoffering voor het gemeenschappelijke doel: een betere waterbeheersing. En je ziet een hartverscheurend afscheid van het oude kerkhof. De mensen staan verspreid over deze lommerrijke plek en staren verdrietig naar de bekende namen op de grafstenen. Tot slot wordt, plechtig bijna, het hek gesloten en druipen de mensen af, frunnikend aan verfrommelde zakdoeken. Ook de doden zullen verhuizen, met graf en al. En het kerkje ernaast zal volmaakt identiek worden nagebouwd.
Je ziet een familie die temidden van een enorme bouwplaats hun nieuwe huis in aanbouw bezoekt. Ze betreden met grote ogen het kleine keukentje, -waar moeten we nu het varken slachten? En de worsten roken?- en ze kijken ongelovig naar de hoog ommuurde ‘achtertuin’: ‘we zien hier niks, alleen witgekalkt beton’. ‘Die muur slopen we gewoon’, zegt de heer des huizes ferm Maar tot op heden zie ik slechts huizen met hoog ommuurde binnenplaatsen.
De dagen erna probeer ik in gesprek te komen met mensen in het dorp. Ik registreer droevige en meewarige gezichten, schuddende hoofden en bij menigeen zitten de tranen hoog. Zelfs de vertegenwoordiger van het gezag, de presidente da freguesia, een levendige vrouw van rond de 30, drukt zich uit in kritische bewoordingen. ‘Van het voornemen een replica te bouwen van het oude dorp is weinig overgebleven. Om bouwkundige redenen. De meeste buren wonen weliswaar weer naast elkaar, maar de straten zijn te breed opgezet en de voordeuren te ver uit elkaar, waardoor de sociale samenhang van de oude dorpsgemeenschap is verdwenen. Je komt elkaar eenvoudigweg niet meer tegen. En het dorpsplein, je waait er van je sokken, nee.
Op ons oude dorpsplein zaten we beschut, in een soort vallei, nu kun je net zo goed met zijn allen bovenop een berg gaan zitten’.
Later vind ik op internet een artikel met vrijwel de titel van de film: ‘A aldeia da Luz não mora aqui’. (Aldeia da Luz woont hier niet). Het is verschenen in a Renascença, cultureel maandblad, in 2015, het jaar dus dat ik hier voor het eerst was. Het dorp telde toen 270 inwoners, tegen 450 in het oude dorp. Ik lees ook, dat grondbezitters weliswaar evenveel grond tot hun beschikking hebben gekregen als voorheen, maar dat dit in vele gevallen (nog steeds) niet correct geregistreerd is, waardoor erfenisproblemen aan de orde van de dag zijn.
Vooralsnog loop ik me hier te verbazen dat het dorp zo ver van het meer ligt. Een levendige kade, een cafeetje aan de oever, een eethuisje, bankjes, bedrijvigheid op het water, ik fantaseer het er moeiteloos bij. En toerisme. Die wonderlijke camperplaats, hoe is die er in godsnaam gekomen? Er zijn nauwelijks sporen van recreatie te vinden. Plaats genoeg zou je zeggen, en aan rust en schoonheid geen gebrek. Waren de mensen zo murw geslagen dat ze de boel de boel maar lieten?
In het artikel lees ik echter dat er al heel wat initiatieven zijn geweest, die allemaal zijn doodgebloed in eindeloze bureaucratie. Alleen twee broers blijkt het gelukt te zijn een handel in aromatische kruiden van de grond te krijgen, die internationale allure heeft verworven.
Er schijnt een rivierstrand beloofd te zijn, met bijbehorende voorzieningen en je kunt zien waar het had moeten komen. Een paar Franse campers hebben het plekje ontdekt, onder aan het water, vlakbij het kerkhof, en zij brengen er de dag door in zalige rust. Tegen de nacht keren ze terug naar de camperplaats, om hun afval te lossen en water te laden. En te overnachten. Wat te denken van pleziervaart op het immense meer? Hetzelfde verhaal, ook hier wordt melding gemaakt van doodgebloede initiatieven.
4 dagen en nachten blijf ik in Luz die eerste keer. Ik fiets langs eindeloze olijfgaarden, sla weggetjes in die verdwijnen onder water, – het stemt me weemoedig –  ik raak thuis in het café van Ermelinda, die eenvoudige doch verrukkelijke maaltijden kookt en waar ik mijn opladers in het stopcontact mag steken, ik doe middagslaapjes onder de kurkeiken bij het olijvenbos, en overnacht op het asfalt van de camperplaats. Tevergeefs zoek ik naar beschutting tegen de hitte van de dag, ’n tijdelijk dak boven mijn hoofd zou niet gek zijn. Maar helaas, zelfs de presidente da junta kan niets voor me vinden…
Op zoek naar verkoeling was ik al ‘in gevecht’ geweest met een kleine vrachtwagen om de enige boom die schaduw gaf, een boom waarop ik natuurlijk totaal geen recht had.
Zowel in det voorjaar van 2016, 2017 en 2018 heb ik Aldeia da Luz aangedaan. Het waren bliksembezoekjes, feesten van herkenning en tenslotte liepen ook deze uit op een vlucht voor de hitte.
Dan is het juli 2019.
Opnieuw popel ik om erheen te gaan, hoe zal het daar zijn?  Ik wil mijn plaatselijke stamcafé weer inlopen en de glimlach zien doorbreken op het vermoeide gezicht van dona Irmelinda. ‘Ah, daar ben je weer?’ Ik wil haar verrukkelijke costeletas aceboladas (met gebakken uien overladen gestoofde varkenskoteletten) eten en vragen of er nog nieuws is. Dit antwoordde ze het jaar ervoor: ‘nou, de waterstand van het meer was in het vroege voorjaar zo laag dat het mogelijk was het oude dorp of wat ervan over was, te bezoeken. We zijn erheen geweest, met een hele club. Met auto’s tot aan de oever en verder te voet door de modder’. Ik stel me er een soort wadlopen bij voor. ‘Hoe was het daar?’ Monsterend kijkt ze me aan, wil ik het werkelijk weten? Dan buigt ze zich over de toog en fluistert me toe: ‘ze hebben indertijd alles afgebroken voordat het water steeg, maar ik heb een stukje fundament van ons huis gevonden. Triste’, zegt ze en schudt haar hoofd.
Het weerbericht voorspelt een aantal hete dagen in Luz, boven de 30 graden, zelfs 38 op zaterdag, en dat betekent dat ik er beter niet heen kan gaan. Ik zie me alweer naarstig speuren naar schaduw voor mijn bus. Ik heb weliswaar airco laten aanleggen maar die heeft elektriciteit nodig. Dat ik daar nog eens zo naar zou verlangen… Elektriciteit. voor de airco dus, en voor de telefoon, de laptop, de i-pad en mijn e-reader. Lieve hemel, waar ben ik mee bezig 🙂
En dan vind ik plotseling op airbnb een hotel met de naam Aldeia da Luz, gelegen aan het stuwmeer van Alqueva! Op de foto zie ik dat het een van de vele identieke Alentejaanse huisjes betreft, helaas niet te boeken via Internet. Erop af dan maar, de hitte tegemoet.
Luz 2

-juli 2019-
Luz was inmiddels in mijn hoofd het in de kiem gesmoorde dorp, net geboren en in wiegendood verstild. Maar de afgelopen dagen heb ik Luz zien leven. Het begon al toen ik Ermelinda terugzag, de bazin van café Lousã, met haar zware stem en vermoeide tred. Ze was flink aangekomen, droeg een vrolijk paardestaartje en keek me guitig aan. ‘Ah daar ben je weer, je kunt ons niet vergeten hè?’ Ik bestelde een potje thee en stopte meteen de stekker van mijn oplader in het stopcontact onder het middelste tafeltje. ‘Posso?’ vroeg ik enigszins aan de late kant en Irmelinda knikte, het mocht. Of er nieuws was? Nee hoor, alles gaat zijn gangetje.
Ik stap over de hete klinkers door het dorp, om 8 uur in de avond nog nagloeiend van de tropische zon. Boa tarde, boa tarde, zeg ik keer op keer, want overal staan groepjes mensen in de deuropening te praten: sommigen op fluistertoon, anderen met een stem als een scheepshoorn. Op de hoek van Ermelinda’s straat is een restaurantje geopend, kennelijk in trek bij de jongelui die uitgelaten het begin van het weekend vieren: hun overmoedige stemmen proberen uit te komen boven het weemoedige Portugese lied dat uit de luidsprekers schalt.
Dit is mijn eerste bezoek aan Luz in de zomer, misschien ligt het daaraan, maar ik loop opeens door een uitbundig bloeiende dorpstuin met bankjes -waar weliswaar niemand op zit- maar die al half verscholen staan in het groen. Aan de oever van het meer staat een groepje eucalyptussen met een waterput erbij die drinkwater levert. Er slenteren twee echtparen voorbij, mensen van een jaar of 40. Een van de mannen vertelt me dat hij uit Oud Luz komt: ‘mijn dromen spelen zich af in Antiga aldeia’. Hij viert nu vakantie in nova aldeia, (waar zijn familie een huis heeft), samen met vrienden uit Lisboa. Als zijn vrienden aanstalten maken hun weg te vervolgen, maakt hij zich met moeite los van mijn belangstelling en praat door over zijn verloren paradijs. Het riviertje waarin hij als kind met zijn familie ging zwemmen. Ze moesten er met de auto heen. ‘En zie nu al dat water, ongelooflijk!’
De Franse campers zijn verdreven door een pad van houten vlonders die de toegang tot het meer reguleren. Afgekeken van de zeestranden zou je denken. Maar dit ontdek ik pas de volgende dag, na mijn herhalingsbezoek aan het museum.
1 euro asjeblieft, zegt het meisje achter de balie, nadat ze mijn geboortejaar heeft ingetoetst op haar computer. Ouderen krijgen hier 50% korting, licht ze toe.
Of er nog nieuwe verworvenheden zijn sinds 4 jaar geleden, wil ik weten. ‘Ik ben geïnteresseerd in dit dorp en wil graag weten of er nog ontwikkelingen zijn’, vertrouw ik haar toe. Nou nee, het museum an sich is wel ontwikkeld, we verzorgen exposities van hedendaagse kunstenaars, zo hebben we nu…’ Sorry, onderbreek ik haar, over het dorp zelf kan ik hier geen nieuws vinden dus?’ Nou nee. ‘Ik weet wel’ zegt ze ‘dat het erg goed gaat met Aldeia da Luz, het bewonersaantal groeit gestaag, jonge mensen kopen hier tegenwoordig een huis. Nee, getallen heeft ze niet, misschien kunt u eens kijken op internet?’
Later op de dag loop ik de Junta da Freguesia  binnen en de man achter het loket schat het inwonersaantal momenteel op zo’n 300. Hij schrijft dit getal behulpzaam op een papiertje en schuift het me toe. Voor de officiële cijfers moet ik bij de presidente zijn, zegt hij. Hij lacht me verontschuldigend toe en mij bekruipt het stompzinnige gevoel dat ik inmiddels nog de enige ben die zich druk maakt hier.
Maar dan heb ik gerekend buiten Bernardo da Silva Susaro, een afwisselend zingende en schreeuwende, bejaarde herder van een kudde ‘blote’ koeien. Spierwit zijn die beesten en ze komen in de late namiddag aangeslenterd door het veld waarachter toch nog de Franse campers staan. Wat hij ook schreeuwt en hoe hij zijn hond ook aanmoedigt de koeien tegen te houden, ze sjokken ongestoord het kreupelhout in, ongetwijfeld op zoek naar verkoeling. Omstandig aait Bernardo zijn slonzige herdershond met slaapkamerogen. Later zal hij me toevertrouwen dat dit beest beter is dan een mens. Maar nu vult hij eerst zijn waterfles bij en houdt zijn pet met zakdoek (eraan vastgeknoopt om zijn nek te beschermen tegen de zon), onder de waterpomp van de put en zet hem druipend weer op. Stapje voor stapje komt hij dichter bij mijn bus, waar ik met mijn benen buitenboord zit bij te komen van mijn middagdutje.  ‘Het is warm hè? open ik een gesprek. Ja dat is het, maar moet je nou eens kijken: het land hier ligt er verwaarloosd bij. Dit land geeft alles en hij somt op: tarwe, maïs, bonen, aardappels en nog veel meer maar de mensen willen niet meer werken. Hij schudt verdrietig zijn hoofd en vertelt over vroeger. Met 8 jaar begon hij te werken en hij somt, niet zonder trots, de beroepen op die hij heeft uitgeoefend. Herder, daar begon het mee en ook nu is hij weer herder. Daar tussenin klinkt een lange rij beroepen die ik helaas niet begrijp, daartoe schiet mijn kennis van het Portugees tekort. Maar ik verzin er een paar: schaapscheerder, hoefsmid, druivenplukker, olijvenplukker, kurksnijder, slager, of moet ik slachter zeggen? Nee hij is dus niet naar school geweest en nee hij kan niet lezen en schrijven. Maar hij heeft wel een persoonsbewijs, dat hij tevoorschijn peutert uit een platte portefeuille, diep weggestopt in een binnenzak van zijn jasje. 78 jaar is hij, zie ik daar. Hij staat inmiddels pal voor mijn neus, 155 cm hoog (dank je, persoonsbewijs), met de hond tussen onze voeten. ‘Weet u, hier had het dorp moeten liggen’ en hij wijst een strook aan langs de oever van het meer. ‘Dan hadden de mensen vruchtbare tuintjes gehad en groenten kunnen verbouwen. Want dit land geeft alles’. Opnieuw volgt de opsomming van gewassen die hij, zo stel ik me voor, het liefst ter plekke zou zien opschieten om hem heen. Dan kon hij lekker gaan sproeien of misschien al wel oogsten. ‘Maar’… hij zucht… ‘ze hebben het daar neergelegd.. Op een heuveltje, middenin de woestijn…’
De volgende dag, – ik heb opnieuw mijn toevlucht gezocht onder de eucalyptussen met de waterbron – wordt Bernardo’s verhaal bevestigd door een levendige heer van middelbare leeftijd die een kofferbak vol garrafãos komt vullen. Nou ja, hij laat dat werkje over aan zijn aanzienlijk jongere metgezel, die mij alsmaar vriendelijk toeknikt. De ‘heer van stand’ begroet een jonge nieuwkomer met een auto vol kampeerspullen en samen praten ze mij bij. Twee tegelijkertijd boze en laconieke mannen, die zoals de jongste herhaaldelijk en uitdrukkelijk beweert, politiek neutraal zijn maar dat er weinig deugt van de politiek, daarover zijn ze het roerend eens. Neem dit dorp: ‘het had hier moeten komen’ zegt de oudste ‘maar A, een rijke landeigenaar, heeft het voor elkaar gekregen dat hij zijn vruchtbare strook grond kon behouden en dat het dorp nu daar ligt, in the middle of nowhere. Op een heuvel nota bene’. Hij schudt zijn hoofd. ‘En hier zou dan een rivierstrand liggen, dat is herhaaldelijk toegezegd. Maar dat strand is ingepikt door Monsaraz, daar heeft B, een behendige burgemeester, voor gezorgd’. ‘Corruptie’, zegt de jongste, ‘alsmaar die corruptie’ en hij vertelt hoe Évora erin geslaagd is op slinkse wijze allerlei diensten en industrieën van Beja in te pikken. Deze man uit Évora herinnert zich opeens:‘oef ik moet opschieten, de kinderen!’
En die kinderen, dat blijken 35 verkennertjes uit Évora te zijn, 6 tot 10 jaar oud, die een weekend ‘Aldeia da Luz’ doen. Ze hebben hun tenten opgeslagen bij het plaatselijke sportcomplex en komen samen met hun 7 begeleiders beschutting zoeken onder dezelfde eucalyptussen als ik en nee, dat is geen enkel punt. ‘Hier, zet uw bus maar een beetje verder hierheen, daar is nog wat langer schaduw.’
Ze plaatsen een enorme pan met kip en pasta en een teil met salade op de enige picknicktafel die nog in de schaduw staat, vullen alvast hun talloze garrafões en vertrekken met hun rugzakjes op richting het strandje beneden. Nou ja strandje. Er is daar een plek aan het meer waar de weg onder water verdwijnt.
 Misschien is dit zelfs de weg naar het oude dorp? ‘Over 10 minuten zijn we terug, zegt een van de leidsters, een gezellige dikkerd met weinig gezag, dat merk je zo. Ze heeft het zichtbaar veel te heet, och arme, en moeizaam sloft ze de huppelende kinderen achterna. Anderhalf uur later komen ze terug.
De kinderen zowel als hun begeleiders zien er fris en fruitig uit, al hebben ze waarschijnlijk niet gezwommen, want zo te zien is er geen badpak, bikini, noch handdoek aan te pas gekomen. Of zitten die spullen nu kletsnat in hun rugzakjes? Hoe dan ook, ze lijken zo opgekikkerd dat ik me afvraag of ik niet even hun voorbeeld moet volgen. Maar het stukje lopen door de hete zon richting het water komt me onoverkomelijk voor. En dus blijf ik me verschansen in mijn bus, die nog altijd in de schaduw staat.
De kinderen rangschikken hun rugzakjes netjes rondom de waterput, behalve ene Valentim die er dan ook stevig van langs krijgt. Ah, dat is dus de hoofdakela of hoe noem je zo iemand? Ze is een knappe verschijning van een jaar of 30 met speelse krullen en een modieuze bril. Hoe vaak heeft ze nou al niet gezegd dat die rugzak… etc. Valentim is een piepklein jochie en hij ziet er kwetsbaar uit. Geschrokken laat hij het rugzakje van zijn smalle schouders glijden en kijkt verward om zich heen. Moet dat echt, lijkt hij te denken. En ik fantaseer er een bezorgde moeder bij die hem op het hart heeft gedrukt goed op zijn spullen te passen, zijn rugzakje in het bijzonder.
Er klinkt een schelle fluittoon, de akela weer, met een fluit in haar geheven hand. Zij stelt zich zorgvuldig op aan de rand van het grootste stukje schaduw, zodat de kinderen vóór haar kunnen aantreden. De helft springt ogenblikkelijk op en de overige kinderen sluiten zich kalmpjes bij hen aan. ‘Haal je bord en bestek tevoorschijn en je beker en maak een rij hier langs Dona Beatrice die jullie bord zal vullen en senhor Manuel hier schenkt je beker vol water. Drink zoveel mogelijk water, dus ga vaak langs bij Senhor Manuel. Nog vragen?’ Nee. Ze heft een lied aan en de kinderen zowel als de volwassenen vallen in. Het is een op muziek gezet gebed dat met heftige en hier en daar sierlijke armgebaren ten gehore wordt gebracht.
Het eten, dat plaatsvindt op een soort beddenspreien, neergelegd op de bosgrond waar maar schaduw is, verloopt zonder incidenten en dan fuut, daar klinkt het fluitje weer en daar staat ze weer, de akela. Op een andere plek nu, want de schaduw is intussen flink verschoven.
Ze stort een donderpreek over de hoofdjes van de schatjes uit, die ze ‘meninos lentos’ noemt. Ze berispt ‘de kinderen die sommige dingen niet lusten’ en ze herinnert op vileine toon aan kinderen in andere landen die helemaal niets te eten hebben. Het is een echo van de donderpreken vroeger thuis, hoewel die nog schaamteloos gingen over de arme zwartjes in Afrika die verhongerden, omdat wij ons bordje niet leeg aten.
En dan wordt er afgewassen. De man uit Ėvora, een hulpvader zo weet ik inmiddels, helpt de kinderen bij de waterput hun eigen spulletjes af te wassen en te spoelen, padvindertjes immers. Een tweede hulpvader ligt languit onder een boom en laat de kindertjes tot zich komen. Deze buitelen vrolijk over hem heen en kietelend tracht hij ze te verdrijven.
Met spijt verlaat ik deze plek om onder een groepje kurkeiken kilometers verderop mijn sesta (Portugees voor siësta) te gaan doen. En terwijl ik zwaaiend weg rijd, realiseer ik me dat ik zojuist getuige ben geweest van een poging de grondtonen van de Portugese volksaard: bescheidenheid en autoriteitsgevoeligheid, door te geven aan de volgende generatie.

Luz 3

-enkele dagen later, nog steeds juli-
En dan word ik ’s morgens wakker onder een bewolkte hemel, ongekende luxe inmiddels, en ik durf het aan verder te trekken, richting Atlantische Oceaan.
Gepakt en gezakt drink ik nog even een afscheidskoffie bij Ermelinda.
‘Ziezo, ik ga weer eens verder, mag ik concluderen dat het wat beter gaat met Luz?’, vraag ik aan Ermelinda en een jonge vrouw aan de bar luistert mee. Twee verbijsterde gezichten staren mij aan. Terwijl de gast nog enige moeite doet mij tegemoet te komen: ‘bedoelt u dat er tegenwoordig wel eens toeristen komen’, roept Ermelinda prompt: ‘nee hoor, het wordt hier steeds meer een dooie boel’. Haar ogen spuwen vuur en als ik haar ontwapenende directheid niet al een beetje zou kennen, zou ik bang voor haar worden. ‘Echt, het is verschrikkelijk, het wordt hier steeds beroerder. Iedereen gaat er vandoor en niemand doet wat.’
‘Maar’ sputter ik zo’n beetje tegen: ‘de bomen groeien al aardig en in het park…’ Ja in dat opzicht heb je wel gelijk, maar de mensen…’
Als de zon zich intussen had laten voelen en als ik wat soepeler van aard was, zou ik mijn plannen alsnog kunnen wijzigen. Van de weeromstuit stop ik 5 minuten later bij een huis om de hoek van het café, waarop ‘vende’ staat en waar net iemand naar buiten komt. ‘De prijs wilt u weten mevrouw? € 63.000 inclusief een groot deel van de inboedel. Komt u toch even kijken!’ Ik bezichtig een knusse woning waar ik zó zou willen blijven. Dan pas zou ik Aldeia da Luz leren kennen, dan pas zou ik echt gaan begrijpen wat zich hier allemaal afspeelt. Met het telefoonnummer van de alleenstaande moeder die dichter bij haar werk, in Évora, wil gaan wonen, rijd ik dagdromend het dorp uit.
Stel je voor, ik zou hier een jaartje gaan wonen… Een rustiger plekje is moeilijk te bedenken. Het moderne leven is nog ver weg, en er is een authentieke mini-mercado, die ik pas op de valreep heb ontdekt. Oh dat heerlijke sfeertje in zo’n compacte winkelruimte. Iedereen loopt op zijn dooie gemak rond, kletst wat, kietelt en passant een dreumes in een wandelwagen, en zet alvast iedere boodschap bij de kassa. Dan sta je daar te wachten tot de dono (de baas) een ons ham heeft afgesneden, gewogen en omstandig ingepakt en je groepeert je boodschappen zodanig dat misverstanden worden geminimaliseerd. Dan komt er een vrouw-met-schort een zak tomaten bij haar spullen zetten en met beide handen schuift ze bij elkaar wat van haar is. Een derde zet nog even een blikje sardientjes aan het uiterste randje en sloft weer de winkel in. De dono slentert naderbij en de vrouwen besluiten dat ik aan de beurt ben om af te rekenen. Omdat ik hier al een poosje sta? Of omdat ik een buitenlandse ben? De snoepjes die ik heb uitgekozen blijken geen koffiesnoepjes te zijn, en dono, de kalmte zelf, verdwijnt in het magazijn en komt een dikke minuut later terug met mijn lievelingssnoepjes. Hoeveel? ‘Tien’ zeg ik zuinigjes, om hem niet te lang aan het tellen te zetten.
Zou ik in dit dorp niet in alle rust een boek kunnen schrijven? In een koele woning, met Internet, met zowel Nederlandse als Portugese tv. En ontbijten bij Ermelinda. En fietstochten maken in de wijde waterrijke omtrek. Ik zou toch minstens ook andere huisjes moeten bekijken, werp ik mezelf tegen. Enne trouwens, ga ik nu mijn erfgenamen opzadelen met een huisje in the middle of nowhere?  Kom op, rijden maar en denk er nog eens over, houd ik mezelf voor.
Opeens weet ik het antwoord op een niet eerder gestelde vraag. De vraag namelijk wat mij bezielt. Waarom houdt dit dorp mij zo bezig? Ja, onrecht kan ik slecht verdragen en daarom juist wil ik er alles van weten. Maar er is meer. Dat de tijd hier stil staat is een groot onrecht en ik heb oprecht te doen met de dorpsbewoners die hiervan de dupe zijn. Maar … doodsheid is ook rust. Onvolprezen rust!

Luz 4

-najaar 2019-
Na een maandje Nederland zie ik op internet de aankondiging van een tentoonstelling: Território de Alqueva, in Museu da Luz en ter plekke bezwijk ik voor het vooruitzicht van een Portugese nazomer.
Ik haast mij direct na aankomst in Portugal voor de derde keer naar Museu da Luz waar ik verneem dat de beoogde tentoonstelling alweer vertrokken is. Er is wel een film achtergebleven over de ontwikkeling van het meer van Alqueva en omstreken. Die film ziet er gelikt uit en is een soort uitgewerkte reclamespot voor de ontwikkeling van de streek, netjes opgedeeld in landbouw, toerisme en natuur.
Dan gaan we maar weer eens rondkijken.
Aldeia da Luz valt onder de gemeente Mourão, samen met nog een dorpje.(waarvan ik natuurlijk de naam moest weten…). Mourão zelf is een allervriendelijkste ‘vila’ (een dorp tussen 1000 en 10000 inwoners), in dit geval zijn het er tussen de 2000 en 3000. Het heeft een kalme uitstraling en ziet eruit of het niet erg aan de weg timmert. Het plaatselijke kasteel bij voorbeeld, een imposant bouwwerk, schitterend gelegen bovendien, moet de handen doen jeuken van een restaurateur en het met kennelijke zorg aangelegde rivierstrand is op deze prachtige najaarsdag uitgestorven. Net als ik denk dat er helemaal niemand is, komt een slaperige portier zijn loge uit en bevestigt dat deze plek slechts geschikt is voor dagjesmensen. Die nogal wegblijven, ja, ook met dit prachtige weer helaas. Nee, plannen voor een camping zijn er niet doorgekomen. De fietser in mij ziet hier een gat in de markt, een trektocht rond het meer, je zou er minstens een week voor kunnen uittrekken, maar de bewaker schudt zijn wijze hoofd. Reken er maar niet op, lijkt hij te willen zeggen.
Al een tijdje ben ik van plan te gaan kijken in de bibliotheek, misschien is daar informatie voorhanden over het stuwmeer van Alqueva. Het wegwijzerbeleid is moeilijk te doorgronden: in het centrum wijst op een waaier van aanduidingen ‘‘biblioteca’ naar rechts en ik rij een wirwar van straatjes door en vind geen nadere aanduiding. Moet ik naar rechts of toch naar links, of ben ik misschien al te ver doorgereden? De bewoners die ik aanspreek, weten van geen bibliotheek. Tot tenslotte een man en een vrouw elkaar weifelend aankijken en wijzen naar een oud schoolgebouw: zijn ze daar niet aan het rommelen de laatste tijd? En inderdaad, ik betreed de hal van een oude school vol schots en scheve stapels boeken, waar tussen een gangetje is vrijgelaten en dat voert naar een klaslokaal met nog veel meer stapels boeken, op tafels en op stoelen en op de grond. Achter een volgestouwd bureau is nog net een man zichtbaar, die met moeite zijn blik losmaakt van een computerscherm. Op mijn vraag naar informatie tast hij links en rechts zijn borst af en deelt me tenslotte vriendelijk mee dat hij helaas zijn bril vergeten is. En sorry voor de rommel, we zijn net verhuisd.

Op de camperplaats is een ‘regiment’ Fransen neergestreken, met als spil senhor Carlos, een flamboyante, wiltgelokte Portugees, die me vertelt dat hij sinds 40 jaar in Frankrijk woont en de laatste jaren komt hij hier, met zijn Franse, tweede vrouw en een aantal Franse landgenoten de winter doorbrengen. ‘Heerlijk rustig hier en gratis overnachten, licht hij toe. ‘Mijn vrouw is ziekelijk’ zegt hij en dat verklaart misschien waarom ik hen zo weinig samen zie. Carlos zelf laat een aantal keren per dag zijn twee schattige spierwitte schoothondjes uit en wandelt regelmatig, vergezeld van (een van) zijn vrienden naar het dorp voor een versnapering. Met trots laat hij weten dat hij vrijwel iedereen kent in het dorp: ‘hele lieve mensen!’
‘Hoe doet u het met de elektriciteit’ vraag ik hem, geheel uit eigenbelang. Näo há problema, verzekert hij me: hij heeft twee zonnepanelen op zijn camper en daar kan hij zich prima mee redden. Nee, hij moet geen gekke dingen doen, films streamen bijvoorbeeld is er niet bij, maar koken, verwarmen, verkoelen en zijn spulletjes opladen, não há problema. Ik leg hem mijn dringende behoefte aan een stopcontact voor en hij weet bijna zeker dat Sara, de presidente da freguesia dat in een wip voor me geregeld heeft. Sara is een ‘boa amiga’ van hem. Evenals Ermelinda van het café en wie eigenlijk niet, hij zal eens voor me informeren. ‘Het zou leuk zijn als jij ook hier zou blijven’ zegt hij hartelijk, ‘we vieren altijd oud en nieuw samen met de dorpsbewoners. Daar, in het pavilhão’. (Iedere zichzelf respecterende gemeente in Portugal heeft een pavilhão. Het is de plaatselijke evenementenhal, vaak met sportaccomodatie.) Het pavilhão in kwestie vormt de enige muur van de camperplaats en zie ik daar niet al een kabel uit het raam hangen? Stopcontactje eraan en pronto. Toch eens vragen…
Het heeft nog weken -met periodes van komen en gaan- geduurd voor ik het tenslotte voor elkaar had.

luz 5

-eind oktober-

Bij Alice

Op het eerste gezicht is zij gewoon een gezette, niet meer piepjonge, vrouw die in de hete zon loopt te zeulen met een volle boodschappentas. Maar al snel warm ik mij voor de eerste keer aan de gloed van haar ernstige en nieuwsgierige zwarte kijkers. Zij spreekt mij aan als ik aanbel bij een van de huizen in de meest noordwestelijke straat van het dorp. Deze huizen staan met de kont naar buiten en als ik daar nou eens mijn stekker in een stopcontact zou kunnen steken…
‘Die mensen zijn in het buitenland’ zegt Alice, ‘we hebben al tijden niets van ze gehoord. Maar dat’, en ze wijst naar een huis wat verderop, ‘staat te koop’.
Nee nee, zeg ik, ik zoek slechts een stopcontact. Daar moet ze om grinniken en ik bepleit mijn zaak. Gezien de 2 à 4 euro die een camping rekent voor een etmaal elektriciteit, laat ik haar weten 5 euro per nacht bij te zullen dragen ‘aan de energierekening’.
Ik zie haar denken.
‘Och kom’ zegt ze, ‘ik woon ook aan deze kant, een beetje verderop’.
Even later zit ik in zo’n typisch Portugese eetkeuken en ontmoet daar Geronimo, de stamgast-in-rolstoel van Ermelinda met wie ik al heel wat vriendelijke blikken gewisseld heb.
Het feit dat ik geen onbekende meer ben in dit dorp, -die buitenlandse op de fiets- helpt misschien, want een half uur later al sta ik op mijn nieuwe plekje, achter het huis van Alice en Geronimo, met mijn stekker in het stopcontact van hun garage.

‘Nacht 5 achter het huis van Alice: het is 6 u en al licht buiten. De kat springt op het dak, de hond blaft.
Ik moet er nodig uit maar het is zo lekker warm in mijn bedje. En koud en vochtig daarbuiten. Om met de kat in contact te treden tik ik tegen het dak, mijn vingers worden kletsnat van de condens’.
Is Alice mijn ingang tot het dorp?
Zij leeft sterk in het nu, omringd door haar innig geliefde huisdieren, verzorgt ze haar halfzijdig verlamde man, en ook volwassen zoon Zé die ‘in de olijven’ werkt. Ze borduurt een volgende schilderij en ze praat over het weer, de dokter, haar hernia-operaties en ook het leed uit de media trekt zij zich aan. Er is momenteel sprake van ‘de baby-zonder-gezicht’ waar even later ‘de baby uit de  vuilcontainer’ bijkomt. ‘Só desgraças’ verzucht zij. Nee, dan Zwitserland.’ Als zij over Zwitserland praat, staat haar blik op oneindig. Staart zij naar de witbesneeuwde Alpentoppen? In Zwitserland heeft zij duidelijk haar beste jaren beleefd. Ik vermoed dat ik het ook daaraan te danken heb dat ik hier mag zijn. Estrangeiras onder elkaar.
Mijn nieuwsgierigheid naar de kwestie oud-en-nieuw-dorp voelt enigszins ongepast. Wat had ik verwacht? Dat men hier dag en nacht luidruchtig zou treuren over hun verdronken dorp? Mijn steels gestelde vraagjes vinden mondjesmaat weerklank. ‘Ja, dit huis is hetzelfde als dat van vroeger en nee, het afscheid van het oude dorp heeft ze niet meegemaakt, ze kwam net terug uit Zwitserland bij de verhuizing…’
En of ik de douche niet wil gebruiken, de wasmachine, de magnetron, de koelkast. En zet die fiets ‘s nachts toch op de binnenplaats… Ze noemt mij lachend ‘buurvrouw’ en is ruimhartig en gastvrij. Tegelijkertijd laat ze me mijn gang gaan en toont zich blij met m’n centjes. ‘Mulher’ zegt ze dan en ik begrijp dat dat zoiets betekent als ‘meisje toch’.
Inburgeren heeft tijd nodig, houd ik mezelf voor. Er beginnen al mensen te groeten op straat… ‘
En kijk, daar zegt Alice iets over het oude huis: ‘lá’ zegt ze ‘hadden we een enorme keuken’ en ze schudt langzaam haar hoofd. ‘Deze hier hebben we zelf laten bouwen, drie keer zo groot als waar ze ons mee hebben opgezadeld: een miezerig keukentje, er zat niet eens een schoorsteen in.’ Trots wijst ze met een brede armzwaai naar de metersbrede schouw die om de  de genoeglijk knorrende houtkachel heen, met een sierlijke boog naar het dak reikt.
En later merkt ze op, out of the blue, ‘mijn vader zat ‘lá’, op een van de laatste dagen voor de massale verhuizing, op zijn stoel en sprak: ‘ik ga niet mee, ik blijf hier en verdwijn samen met mijn dorp’. ‘Ja, nee, hij heeft nog een poosje hier gewoond, hier bij ons in.’
‘Lá’ zo duidt niet alleen Alice het oude dorp aan. Ook Ermelinda neemt het zo nu en dan in de mond, evenals Isabel Rodrigues in haar boekje Aldeia da Luz. Ik bedenk dat ‘lá’ zowel ‘daar’ als ‘toen’ kan betekenen.
‘Daar en toen…’
Weer een andere keer herinnert Alice zich weemoedig glimlachend ‘de heerlijke tijd bij de gemeenschappelijke wasplaats in het oude dorp. Wat hebben wij vrouwen gelachen… en gezongen’.
Ik zie het premature bouwwerk voor me, waar ik regelmatig langsfiets, een dikke honderd meter buiten het dorp. Onder een afdak staan van die ouderwetse betonnen waskuipen rondom lange granietachtige tafels. Een wasplaats in aanbouw, nu al een ruine.
Ik voeg in gedachten de gemeenschappelijke wasplaats toe aan de lijst: ‘promessas não cumpridas‘.
Een kleine maand verblijf ik achter het huis van Alice, deze eerste keer, en ik ontwikkel de routine van iemand die thuis is: ochtend, middag- en avondrituelen. En ik schrijf opgetogen aan vriendin B:
‘Hier in Luz zijn ontwikkelingen gaande! Vrijdag ben ik genodigd op de verjaardagsthee van Alice en daar heb ik een aantal leuke jonge mensen ontmoet. Een van hen speelt accordeon en nodigde me uit de volgende dag naar de repetitie te komen. Deze vond plaats in een grote loods, alwaar zijn vader werkt aan  een maquette van ‘a antiga aldeia’, het verdronken dorp dus. Samen met Catarina, de jonge vrouw van de accordeonist ben ik erheen gewandeld, op zich al geweldig leuk.
Wat een belevenis! Die vader, Horácio, wat een man, 65 is hij en volmaakt toegewijd aan het levend houden van de herinneringen aan het oude dorp. Over drie jaar wil hij de maquette klaar hebben en zal deze dan schenken aan Museu da Luz. ‘Ik was barbier’ zegt hij, met een glimlach in de verte starend, ‘en nu beheers ik alle ambachten’. Het is te zien in die schitterende werkplaats van hem met allerlei maquettes van huizen tot antieke werktuigen. En ook in de band speelt hij de boventoon en blijkt hij ieders leermeester te zijn. Hij is intens betrokken geweest bij de ‘overgang’, en dat vervult hem met trots. Stralend kijkt hij me aan. ‘Ik heb gestreden voor justiça, rechtvaardigheid, en ik heb er geen cent aan verdiend!’ Wat die rechtvaardigheid ook inhoudt, mij overtuigt hij zonder meer. De tranen schieten me erbij in de ogen, hetwelk mede kan worden toegeschreven aan enkele vroege wijntjes, haha. Het was geweldig daar, wat een gastvrijheid. En de muziek natuurlijk, waar het allemaal om draaide die dag. Twee aan twee pakten de mannen hun prachtige instrument op en sloegen ze aan het spelen. Daniel, de jongeman die me had uitgenodigd, kreeg voortdurend liefdevolle aanwijzingen van de verder uitsluitend oude mannen. Nou ja, ze waren allemaal jonger dan ik :-).
De anderen intussen dronken een wijntje, peuzelden van de ham, de worst en de gebakken vogeltjes. Of ik weer een beetje in Zambujeira was… Natuurlijk moest ik ook blijven eten en werd mijn bord voortdurend bijgevuld met de lekkerste stukjes vis uit de caldeirado, die al de hele tijd zijn heerlijke geur verspreidde.
Alice inmiddels bezorgt me een waar thuisgevoel door me alsmaar op de thee te vragen, op de koffie, en of ik dit wil en of ik dat wil en als het te koud wordt, slaap je toch hierbinnen, plaats genoeg.
Over de gedwongen verhuizing praat ze weinig. Ze heeft jarenlang in Zwitserland gewoond en gewerkt en daarop richt zich haar heimwee. Het bedrijfsongeval waardoor haar man Geronimo invalide is geworden viel zo ongeveer samen met de bouw van het nieuwe dorp en daarmede ook met hun repatriëring. Haar herinneringen aan antiga Luz gaan dan ook terug tot vóór haar verblijf in Zwitserland. Bovendien heeft zij haar handen meer dan vol aan haar man, die zich geduldig en blijmoedig laat verzorgen. In dit huis vergt het heden alle krachten, alle energie en het verleden och, fraai was het allemaal niet maar wat doe je eraan, gebeurd is gebeurd.’
Opeens is het winter. Ik struin op mijn fietsje de omgeving af en maak kennis met de straffe winterwind, voor mij een uitdaging, voor het dorp een plaag. Hij giert door de strakke straatjes van het op een hoogvlakte gebouwde dorp en doet de weinige mensen die zich buiten wagen wegduiken in hoge kragen, sjaals en capuchons. De schoorstenen roken verwoed en ook de kachel in de keuken van Alice snort op volle toeren. Al om 10 uur in de ochtend houdt Geronimo in zijn rolstoel de kachel brandend door er regelmatig een houtblok bij te leggen.
Alice zakt een momentje weg in haar luie stoel en knuffelt haar lievelingen. Met hoogrode wangen prijst ze nog eens haar eetkeuken, ‘speciaal gebouwd door die lieve Horácio, die man kan alles. Hoe hij van een keukentje van niks deze heerlijke keuken heeft gemaakt, zó komen we wel de winter door’.
In mijn busje ondertussen blijkt de airco niet opgewassen tegen de noordoosten wind. Alice geeft me een dikke deken mee, maar het mag niet baten. Na enkele nachten vergeefs spoken met dekens, de kachel en dikke truien ga ik er vandoor. Op zoek naar warmere oorden.

Luz 6

– brief aan Costa –
Het is 18 november, ik bevind me op de camping van Monte Gordo, in het milde klimaat van de Algarve, als vriendin B. me op het idee brengt een brief te schrijven aan minister president Costa, teneinde hem te herinneren aan het lot van zijn onderdanen in Aldeia da Luz. Dat ga ik doen! Hoewel, ik geloof niet dat hij er ogenblikkelijk heen zal snellen. En trouwens, waar bemoei ik me mee! Maar toch, kom op, doe eens wat.
Als aanleiding neem ik de 17de verjaardag van het dorp, op 23 november. Een verjaardagsfeest dat ik graag wil bijwonen, maar daarover later.
Nu schrijf ik, in mijn beste Portugees:
Estimado senhor Costa
Eu sou Elisabete, holandesa e grande fã do seu país e dos seus habitantes. Tive e tenho a sorte de ter conhecido várias regiões do país e ter criado grandes amizades durante os últimos 30 anos.
Há 4 anos conheci a Aldeia da Luz, quer dizer a nova Aldeia da Luz porque a antiga aldeia já tinha desaparecido debaixo da água da barragem de Alqueva.
Escrevo esta carta porque fiquei apanhada pelas pessoas da Luz e especialmente pela sua história.
Querido senhor Costa, já foi lá? Cada vez menos percebo que ‘Portugal’ não tem sido mais generoso e mais criativo com este projeto, com estes portugueses, que perderam a sua terra querida e vivem hoje numa aldeia nova, muitos deles ainda desorientados e muito tristes.
De 400 habitantes que foram forçados de mudar de terra e de casa no ano 2002, só ficaram 290 hoje, muitos deles sem perspectivas nem esperança.
Eu tenho a certeza que muitas coisas não batem certo, promessas não são cumpridas, aconteceu e ainda existe muita injustiça, cada vez oiço mais exemplos.
E cada vez mais tenho a ideia que a pouco assertiva população da Aldeia da Luz foi em vários pontos enganada por ‘as autoridades’.
Se faz favor, senhor primeiro-ministro, vai lá ver e falar com as pessoas.
No dia 23 de novembro a Nova Aldeia faz 17 anos e dou-lhe uma ideia de uma prenda de anos. Aquecimento central dava muito jeito, nesta aldeia que é construído no deserto, num ponto alto, onde o vento do inverno tem ‘jogo livre’.
Behalve aan het kabinet van de minister-president stuur ik deze e-mail ook naar ‘o Público’ als open brief. Helaas, op geen van beide ontvang ik enige respons.

Inmiddels heb ik een lijstje aangelegd van ‘beloftes die niet zijn nagekomen’. As promessas não cumpridas’ noem ik ze.
Als eerste noem ik de vruchtbare strook land beneden aan het water, in de luwte, die aanvankelijk schijnt te zijn aangewezen als locatie voor het nieuwe dorp. Naar verluidt heeft de invloedrijke eigenaar zijn terrein weten te behouden en nu ligt het nieuwe dorp op een dorre hoogvlakte waar de wind én de hitte vrij spel hebben.
Twee: om de bewoners van een toekomstige bron van inkomsten te verzekeren zou er een rivierstrand komen, waar nu een paar eucalyptussen staan met een waterput plus wat cementen tafels en kleurige speelelementen die ik nog nooit in gebruik heb gezien. Verontwaardigde dorpsbewoners beweren dat een naburig dorp het beschikbare budget voor het beloofde rivierstrand heeft ingepikt. ‘Brutalere bestuurders, snap je wel?’ Intussen staat bij de entree van het dorp wel een bordje: aldeia fluvial, dorp aan de rivier. Dat bordje heeft iets uitnodigends, het tovert visioenen voor ogen van een bloeiende watersport, waar nog weinig van te merken is. Weliswaar is er een steiger gebouwd, waar je via een lange vlonder heen kunt wandelen. Ik heb gehoord dat er in het zomerseizoen een rondvaartboot aanlegt, een rondvaartboot op het meer van Alqueva. Kan dat misschien het begin zijn?
Varen er straks kleurrijke vaartuigjes op dit grootste kunstmatige stuwmeer van Europa? En visserij, hoe staat het daarmee? Tot mijn verrassing zei Ermelinda onlangs: deze vis komt uit ‘ons eigen meer’. ‘Ons meer’ ja dat zei ze en ze kéék erbij alsof ze een grote grap vertelde.
Drie: ik noemde al eerder de gemeenschappelijke wasplaats, die om duistere reden in de aanbouwfase is blijven steken, er staat slechts een overdekt geraamte, in the middle of nowhere.
Vier, vijf, zes etc zijn de vele particuliere klachten die ik heb gehoord over ‘een kleiner huis, minder grond, onvruchtbare grond, falende administratie en registratie en ook verminderd burencontact door de positionering van de voordeuren en de breedte van de straten.
Dat de bevolking tussen 2002 en 2019 met 25% gedaald is, lijkt me veelzeggend en niet iets om te negeren…

Luz 7

– 23-11 A Nova Aldeia da Luz faz 17 anos!

Met wijd open armen word ik ontvangen in de eetkeuken van Alice. In de avondschemering ben ik vertrokken uit Monte Gordo richting Aldeia da Luz, deels over de bochtige, donkere wegen van Andalusië, Oost-Spanje. Mijn ouwe trouwe tomtom aarzelt niet me hier en daar over smalle paadjes te leiden die dan blijken een dorp of stadje te omzeilen. Spannend want die weggetjes zijn niet zelden weinig breder dan mijn bus. Ik zegen mijn onvolprezen koplampen.
‘We vroegen ons al af, zullen we onze amiga ooit nog terug zien?’ zegt een stralende Alice, die onmiddellijk ‘the cattle on’ zet en me en passant uitnodigt voor o almoço van morgen, ‘bacalhau com grão, heb je nog te goed’, vindt ze. ‘En nu ga ik mijn man vertellen dat je er weer bent’.
Ik vind dat ik mooi op tijd ben voor het verjaardagsfeest van het dorp, en of ze mee gaat overmorgen? Nou nee, zegt ze en als ik haar teleurgesteld aankijk, mompelt ze iets als ‘veel te druk, en Geronimo wil er niet heen en het weer…’ Inderdaad, het regent onophoudelijk, al dagenlang. Dat komt overigens goed uit, zo lees ik in het plaatselijke sufferdje, want er heerst droogte. Droogte, hier? vraag ik me af, met innerlijk gefronste wenkbrauwen. Daar hebben ze dit stuwmeer toch voor aangelegd? Of was het te kort door de bocht toen ik een verband legde tussen de dreigende verwoestijning van het zuiden van Portugal in de jaren negentig, toen er enkele jaren nauwelijks regen is gevallen en de plotselinge realisering van het stuwmeer van Alqueva? Heb ik dat ergens gelezen of is het mijn persoonlijke theorette? In elk geval loop ik rond met de overtuiging dat de toenmalige bestuurders in de urgente droogte het doorslaggevende argument vonden om een jarenlang vruchteloze discussie over de aanleg van het stuwmeer te beslechten.
De stuwdam, een indrukwekkend bouwwerk, is voltooid in 2002 en het heeft vervolgens 10 jaar geduurd voor het meer was volgestroomd. Belangrijkste functie is het opwekken van elektriciteit, zo heb ik iniddels begrepen, maar ook irrigatie is belangrijk. Kurkeiken, olijfgaarden, wijngaarden, ze bepalen het landschap rond het meer. En overal zie je de gifgroene irrigatieputten.
Zoals dat gaat in de Portugese winter, op de dag van het feest schijnt alweer de zon en tegen twaalven begeef ik me naar de gerestaureerde boerderij, voor zover ik weet het enige gebouw in deze contreien dat ouder is dan 17 jaar. Het ligt prachtig, ‘onder’ het dorp, aan de oever van het meer.
Het is een feest zoals een Alentejaans feest nou eenmaal is: lange tafels met een overvloed aan eten, karaffen rode en witte wijn, flessen water, ze staan te wachten op de gasten die komen binnen gedrenteld. Ik verheug me alvast op het optreden van de locale muzikanten, en ook op de nieuwe wijnoogst die vandaag zal worden gekeurd.
Weer deel ik per e-mail mijn vreugde met vriendin B. ‘Het feest was zó leuk, echt Alentejaans. Ik waande me een beetje terug in Zambujeira, in ‘a casa do povo’, het dorpshuis, waar overigens de opkomst altijd veel groter was. ‘Het volk’ hier heeft een wereldser uitstraling, zou ik zeggen, hoewel dat ook met het tijdsgewricht te maken kan hebben. Jaren ’90 of nu, bijna 30 jaar verschil, dertig!!
Ik heb genoeglijk wat rond zitten kijken, hier en daar een gesprekje gevoerd, alert op verdriet of ander ongenoegen. Als dat er al was, dan was het diep geborgen in de harten van de aanwezigen. En zo vroeg ik mezelf af: van de áfwezigen? Er waren hooguit 50 mensen op het feest afgekomen. Mijn vriendinnen Irmelinda noch Alice waren van de partij. ‘Waarom gaan jullie niet naar het feest?’ wilde ik weten. Een hoofdbeweging, een schouderophalen van ‘ach, waarom zou ik’ was het antwoord. Ik intussen heb werkelijk genoten en wat foto’s en filmpjes gemaakt. De gastvrijheid, het plaatselijke! Alentejaanse mannenkoor, van de accordeonisten en tot slot van het ‘parabéns a você’ bij het aansnijden van de verjaardagstaart.

Voorlopige epiloog

Nova Aldeia da Luz is na 17 jaar een dorpje geworden waar het leven ogenschijnlijk zijn zijn gangetje gaat.
In het najaar van 2020 hoop ik weer te gaan kijken hoe het gaat met dit bijzondere dorp en zijn bewoners.

3 Reacties

  1. Brenda Aben

    Olá Ellen, wat ontzettend leuk om je Portugese avonturen terug te lezen op dit levendige blog! Je schrijft vlot en openhartig. Wat mij zeker ook raakt is dat je ook actie onderneemt wanneer de onrechtvaardigheid je te gortig wordt, zoals het gebrek aan verwarming in je geliefde Aldeia da Luz: dorp dat verplaatst is om elektriciteit te winnen via het nieuwe stuwmeer. En dan in de kou gezet wordt. Letterlijk, geen verwarming in die nieuwe huizen van de bewoners. Ik hoop van harte dat Costa tóch op je brief zal reageren.
    Beijinhos! Brenda

    Antwoord
    • Ellen

      Olá querida amiga! Je onderschat toch hopelijk niet wat jouw niet aflatende steun en belangstelling voor mij betekenen!?!

      Antwoord
      • Brenda Aben

        Olá Ellen, boa tarde!
        Wat een verrassing om weer te lezen hoe je avonturen zich ontwikkelen op je blog. Het was ook zo ontzettend leuk om het ‘life’ mee te maken toen daadwerkelijk in Portugal rondtoerde. De temperaturen zijn bijna Portugees.
        Dank voor je woorden hierboven! Het is zo leuk om dat te kunnen betekenen voor je. Zo wist je mij keer op keer uit het vertaaldal – al meer dan tien jaar – te trekken als het Portugees mij keer op keer de andere kant op stuurde, oh wacht, dat was het Portugees niet, maar dat waren mijn ‘oplossingen’. Beijinhos!

        Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *